ECLI:NL:RBZWB:2026:7671text/xmlpublic2026-08-20T17:00:252026-08-13Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-08-1325/3049UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLBredaBestuursrecht; BelastingrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7671text/htmlpublic2026-08-17T12:13:492026-08-20Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7671 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-08-2026 / 25/3049 IB/PVV. Het beroep is ongegrond.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3049
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 mei 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.092 (de aanslag). Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 78 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft niemand deelgenomen. Partijen zijn, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. 1.4. Belanghebbende en de inspecteur zijn – ieder afzonderlijk – via het systeem Mijn Rechtspraak op 28 april 2026, 8:58 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Van de plaatsing van deze berichten zijn op dezelfde datum notificaties aan belanghebbende en de inspecteur verzonden naar de door partijen voor dit doel opgegeven e-mailadressen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag en de belastingrentebeschikking naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag en de belastingrentebeschikking naar de juiste bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten 3. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte IB/PVV gedaan. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld: Pensioen, lijfrente of andere uitkering: - Stichting pensioenfonds PGB € 33.448 € 3.280 (LH) - SVB € 12.156 Buitenlands inkomen vroegere DB: - DRV Westfalen € 511 Betaalde alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen: - [persoon] (periodieke betalingen) -/- € 2.500 Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten -/- € 23 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 43.592 3.1. Aan belanghebbende is op 18 mei 2024 een voorlopige aanslag opgelegd die resulteerde in een te betalen bedrag van € 3.812. 3.2. De inspecteur heeft de aanslag in afwijking van de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.092. Daarbij heeft de inspecteur de door belanghebbende betaalde partneralimentatie gecorrigeerd tot nihil. Dit leidt tot een bij aanslag te betalen bedrag aan inkomstenbelasting van € 1.377. Gelijktijdig heeft de inspecteur € 78 belastingrente in rekening gebracht (zie 1.1). Motivering De aanslag 4. Belanghebbende betwist de hoogte van de aanslag en stelt in algemene zin dat het niet juist kan zijn dat hij moet betalen. Hij voert daartoe aan dat het pensioenfonds voldoende loonheffing heeft ingehouden. Verder voert belanghebbende aan dat hij bij het doen van aangifte fouten heeft gemaakt die hij nadien niet meer kon herstellen. 4.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de aanslag. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inspecteur de door belanghebbende in aftrek gebrachte partneralimentatie heeft gecorrigeerd tot nihil. Na verrekenen van het op de voorlopige aanslag betaalde bedrag (€ 3.812), de ingehouden loonheffing (€ 3.280), de algemene heffingskorting (€ 847) en de ouderenkorting (€ 1.055) met de verschuldigde belasting (€ 10.370), resteert een te betalen bedrag van € 1.377. Dat klopt en betekent dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belastingrente 4.2. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de belastingrentebeschikking. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. 5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 13 augustus 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. € 8.469 (totaal IB/PVV) minus € 3.280 (loonheffing) minus € 3.812 (voorlopige aanslag).