Afwijzing spoedmachtiging tot uithuisplaatsing, aanhouding resterende deel verzoek machtiging tot uithuisplaatsing: situatie is niet dusdanig spoedeisend en onduidelijk is waar minderjarigen geplaatst zouden worden.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7683
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-08-2026
Datum publicatie
24-09-2026
Zaaknummer
C/02/450332 / JE RK 26-1270
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
ECLI:NL:RBZWB:2026:7683text/xmlpublic2026-09-24T15:26:112026-08-14Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-14C/02/450332 / JE RK 26-1270UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7683text/htmlpublic2026-09-22T12:47:382026-09-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7683 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-07-2026 / C/02/450332 / JE RK 26-1270 Afwijzing spoedmachtiging tot uithuisplaatsing, aanhouding resterende deel verzoek machtiging tot uithuisplaatsing: situatie is niet dusdanig spoedeisend en onduidelijk is waar minderjarigen geplaatst zouden worden.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/450332 / JE RK 26-1270
Datum uitspraak: 14 juli 2026 Beschikking van de kinderrechter over een spoeduithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
locatie Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over de minderjarigen:
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
,
geboren op [geboortedag 3] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe. De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ,
wonende in [woonplaats 2] . 1Het procesverloop1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met bijlagen van de GI van 14 juli 2026, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;
- de telefoonnotitie van de griffier van 14 juli 2026. 2De feiten2.1 De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen). 2.2 De minderjarigen wonen met de moeder bij een ouder-kindhuis van [accommodatie] . 2.3 Bij beschikking van 8 augustus 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd met ingang van 11 augustus 2025 tot 11 augustus 2026. 2.4 Bij beschikking van 9 juni 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 14 juni 2026 tot 14 december 2026. 3Het verzoek3.1 De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen, naar de kinderrechter begrijpt, in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder én een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken en om deze beschikking onverwijld af te geven, zonder daaraan voorafgaand horen van de belanghebbende. 3.2 Daarnaast verzoekt de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. 4De beoordeling Wat zegt de wet? 4.1 Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 4.2 Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing onverwijld worden afgegeven, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige. 4.3 De kinderrechter overweegt het volgende. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge (telefonische) toelichting daarop blijkt dat er zorgen zijn over drugsgebruik van de moeder. De GI is vandaag te weten gekomen dat de moeder ‘basecoke’ gebruikt. De moeder is open geweest over haar harddrugsgebruik. Deze recente onthulling heeft de GI doen besluiten een spoedverzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen. Desgevraagd verklaart de jeugdbeschermer dat de moeder al sinds haar 18e jaar drugs gebruikt. Die situatie is niet nieuw. Ook is niet nieuw dat de moeder ‘basecoke’ gebruikt. Dit wordt ook door de GI bevestigd. Anders is alleen dat de GI dit nu weet. 4.4 Uit de telefonische toelichting van de jeugdbeschermer is tevens gebleken dat niet duidelijk is waar de minderjarigen zouden worden geplaatst als de spoedmachtiging zou worden verleend. Pas wanneer de spoedmachtiging zou worden afgegeven wordt duidelijk waar de minderjarigen terecht komen. Daarover is ten tijde van de indiening van het verzoek niets te zeggen. 4.5 De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om de minderjarigen met spoed uit huis te plaatsen. De situatie is zorgelijk, maar niet in die mate dat er per direct een beschikking moet worden verleend, zonder voorafgaand verhoor van belanghebbende. Gebleken is dat de moeder al jaren (hard)drugs gebruikt en dit kennelijk in de afgelopen periode bij het Ouder-Kindhuis van [accommodatie] niet tot dusdanig onveilige situaties heeft geleid dat per direct moet worden ingegrepen. De bestaande situatie is al langere tijd gaande, met het enige verschil dat de GI nu weet dat de moeder ‘basecoke’ gebruikt. Dit maakt naar het oordeel van de kinderrechter niet dat er op dit moment sprake is van een spoedsituatie. Bovendien, zo blijkt uit het verzoek, kan de veiligheid binnen [accommodatie] door middel van veiligheidsafspraken en, zo nodig, extra toezicht worden vergroot. De kinderrechter neemt hierbij ook in aanmerking dat onduidelijk is of, wanneer, en waar de minderjarigen worden geplaatst. 4.6 Dit betekent dat het verzoek om een spoedmachtiging zal worden afgewezen. Het resterende verzoek van de GI, zoals hiervoor gemeld onder rechtsoverweging 3.2, zal mondeling zal worden behandeld op de hierna te melden zitting. De GI wordt alsdan in de gelegenheid gesteld om het verzoek nader toe te lichten en de moeder krijgt de mogelijkheid om haar mening kenbaar te maken. De vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal als informant voor de zitting worden opgeroepen. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] zal hij de gelegenheid krijgen om zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. De kinderrechter benadrukt dat [minderjarige 1] niet naar de rechtbank hoeft te komen als hij dat niet wil. Hij kan zijn mening ook geven via het schrijven van een brief aan de kinderrechter. Pilot kosteloze rechtsbijstand 4.7 In het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand bij een verzoek tot (spoed)uithuisplaatsing kan een advocaat aan de moeder worden toegevoegd. Dit betreft de ouder met gezag die het kind als behorende tot zijn gezin dagelijks verzorgt en opvoedt. Nu de minderjarigen bij de moeder wonen en zij hen dagelijks verzorgt en opvoedt, betekent dit dat de rechtbank aan de moeder een advocaat zal toevoegen. 4.8 Dit leidt tot de volgende beslissing. 5De beslissing De kinderrechter: 5.1 wijst het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen af; 5.2 houdt het resterende deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen aan tot de zitting van [datum] 2026 te [uur] bij de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Maandag), locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW; 5.3 bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor deze zitting voor de GI en de moeder (en haar advocaat); 5.4 gelast de griffier om de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als informant per separate brief op te roepen voor deze zitting; 5.5 gelast de griffier om de minderjarige [minderjarige 1] op te roepen voor een kindgesprek op een dag en tijdstip voorafgaand aan de zitting; 5.6 behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Deze beschikking is schriftelijk vastgesteld op 15 juli 2026. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.