Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7697

Vervangende toestemming vakantie naar Albanië

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7697 text/xml public 2026-09-24T15:09:41 2026-08-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-14 C/02/448364 / KG ZA 26-253 Uitspraak Kort geding Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7697 text/html public 2026-09-24T15:09:07 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7697 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-07-2026 / C/02/448364 / KG ZA 26-253
Vervangende toestemming vakantie naar Albanië

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/448364 / KG ZA 26-253

14 juli 2026

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. G.V. van Campen te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. Z. Gademan te Breda.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

Als informant wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMIING BRABANT, hierna te noemen de GI.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 12 producties;

- de conclusie van antwoord met 13 producties;

- de brief van mr. Van Campen van 29 juni 2026 tevens houdende een wijziging van eis met 14 producties;

- de akte overleggen producties van mr. Gademan van 29 juni 2026, met 3 producties.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 30 juni 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting is de vrouw (middels beeldbellen) verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Tevens is de man verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

Ook is een vertegenwoordigster van de GI aanwezig geweest.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen zijn op [datum] 2003 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:

1. [meerderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats] (meerderjarig);

2. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009 te [geboorteplaats] ;

3. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 3] 2014 te [geboorteplaats] .
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen. De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.3.
Tussen partijen is bij de rechtbank een bodemprocedure aanhangig (bekend onder zaaknummers C/02/434608 / FA RK 25-2097 en C/02/439588 / FA RK 25-4586). Bij beschikking van 28 april 2026 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.4.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 28 maart 2025 is, samengevat, bepaald:

- dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning;

- dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw worden toevertrouwd;

- dat de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man verblijven iedere week van maandag uit school tot donderdag aanvang school;

- dat de man een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van 18 november 2025 is de in de beschikking van 28 maart 2025 vastgelegde zorgregeling geschorst totdat te dien aanzien in rechte of door de GI nader is beslist tot een (begeleide) herstart van de contacten. Verder is aan de man een verbod opgelegd voor een periode van drie maanden tot elk contact met de vrouw en de kinderen. Ten slotte is aan de man een verbod opgelegd voor een periode van drie maanden om zich te begeven in het gebied rond de woning van de vrouw, zoals in dat vonnis is aangegeven.
2.6.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 18 november 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 18 november 2025 onder toezicht gesteld van de GI tot 18 november 2026. In de beschikking is onder meer overwogen dat het in het belang van de minderjarigen is dat er zicht komt op de mogelijkheden van hervatting van het contact met de man. In welke vorm en de frequentie daarvan wordt overgelaten aan de regie van de GI.
2.7.
In juli 2026 zal gestart worden met begeleide omgangscontacten tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .3.De vorderingen
3.1.
De vrouw vordert -na wijziging van eis- bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om van 26 juli 2026 tot en met 4 augustus 2026 met de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te reizen naar Albanië en aldaar met hen te verblijven;

II. aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om van 17 oktober 2026 tot en met 25 oktober 2026 met de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te reizen naar Spanje of Marokko en aldaar met hen te verblijven;

III. aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om van 19 december 2026 tot en met 3 januari 2027 met de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te reizen naar Spanje of Marokko en aldaar met hen te verblijven;

IV. te bepalen dat het in dezen te wijzen vonnis in de plaats zal treden van het toestemmingsformulier van de man voor de reis van [minderjarige 1] naar Marokko in de periode van 5 tot en met 15 augustus 2026;

V. aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een nieuw paspoort ten behoeve van [minderjarige 1] ;

VI. de man te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe ter onderbouwing van de vorderingen, kort samengevat, aangevoerd dat zij op 16 april 2026 schriftelijk toestemming heeft gevraagd aan de man voor de vakanties naar Marokko en Spanje. De vakanties worden doorgebracht bij familie. Hierop heeft de man bij e-mail van zijn advocaat van 17 april 2026 zijn toestemming geweigerd voor die vakanties, alsook voor een eerdere vakantie van de vrouw met de kinderen in april 2026, omdat er volgens de man sprake zou zijn van een concreet en reëel risico dat de vrouw in Marokko en Spanje aangehouden zal worden vanwege lopende aangiftes. De vrouw betwist dat, nog los van het feit dat als deze aangiftes al zouden bestaan deze door de man zelf gecreëerd zijn en dus ook alleen door hem kunnen worden opgelost. De vrouw is naar Marokko gereisd om te achterhalen wat de status is van de aangiftes, maar gebleken is dat er in Marokko en Spanje geen lopende aangiftes of strafrechtelijke procedures tegen haar lopen. De vrouw heeft vervolgens Albanië als alternatieve bestemming voorgesteld, teneinde verdere escalatie tussen partijen te voorkomen, maar ook voor die bestemming weigert de man zijn toestemming te verlenen. Naar de mening van de vrouw maakt dit duidelijk dat de man iedere buitenlandse vakantie van haar met de kinderen blokkeert.

Ook weigert de man mee te werken aan de aanvraag van een paspoort ten behoeve van [minderjarige 1] . Aan de aanvraag van een identiteitskaart zou de man wel meewerken, maar voor Marokko is een paspoort nodig.

Voor wat betreft de toestemming van de man voor de reis van [minderjarige 1] met haar (20-jarige) nicht naar Marokko in augustus 2026 merkt de vrouw op dat zij voor die reis niet expliciet aan de man heeft gevraagd of hij ook daarvoor zijn toestemming weigert. De vrouw gaat daar wel van uit, gelet op het feit dat de man niet aan enige vakantie wil meewerken en evenmin aan de aanvraag van een paspoort. [minderjarige 1] zal met haar nicht in Marokko gaan verblijven bij haar oma, die daar een tweede huis heeft.
3.3.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen, met compensatie van kosten van deze procedure.
3.4.
De man voert daartoe, kort samengevat, aan dat hij kan erkennen dat voor wat betreft de vordering van de vrouw die ziet op de aankomende vakantie naar Albanië een spoedeisend belang bestaat. Naar de mening van de man is dat nadrukkelijk niet het geval voor de herfstvakantie en de kerstvakantie. De man meent daarom dat de vrouw alleen ontvankelijk is in haar vordering voor wat betreft de aankomende zomervakantie.

De man heeft bezwaren tegen de vakanties naar het buitenland omdat:

- de man angst heeft dat de vrouw en de kinderen niet zullen terugkeren naar Nederland na de betreffende vakantie, in verband met door de man opgevangen signalen dat de vrouw zich in het buitenland wil vestigen;

- in Marokko en Spanje aangiftes tegen de vrouw lopen, waardoor het risico bestaat dat de vrouw bij aankomst gearresteerd wordt, met alle gevolgen van dien voor de kinderen;

- eerst prioriteit gegeven moet worden aan contactherstel tussen de man en de kinderen en daarbij is het niet passend dat de kinderen langere tijd in het buitenland zullen verblijven.

De man ontkent niet dat de kinderen behoefte hebben aan vakantie, maar vakantie kan ook gewoon in Nederland gevierd worden, zodat begeleide contacten gewoon doorgang zullen kunnen vinden. Daarbij meent de man dat ook prioriteit gegeven moet worden aan de twee komende hulptrajecten voor de kinderen.

Het vakantieverzoek naar Albanië verbaasde de man in hoge mate, omdat dat land voor partijen geen gebruikelijk vakantieland is en de vrouw daar geen familie heeft wonen. Daarbij wordt in de dagvaarding niet uitgewerkt waar de vrouw van plan is om in Albanië te gaan verblijven en is de reputatie van Albanië ook niet de beste. Via derden heeft de man begrepen dat de vrouw in Albanië wil investeren dan wel al geïnvesteerd heeft in vastgoed. Dit draagt bij aan de angst van de man dat de vrouw niet zal terugkeren naar Nederland.

Voor de reis van [minderjarige 1] naar Marokko acht de man hun kind nog te jong. De man vindt het niet verantwoord om [minderjarige 1] zonder ouderlijke begeleiding een dergelijke reis te laten maken.

Bij gebreke van (spoedeisend) belang is de man tevens van mening dat ten behoeve van [minderjarige 1] geen paspoort behoeft te worden aangevraagd. [minderjarige 1] kan zich met haar identiteitskaart identificeren, zeker nu [minderjarige 1] zich niet buiten Europa hoeft te begeven. Ten slotte stelt de man zich op het standpunt dat compensatie van proceskosten passend is, aangezien sprake is van een familiair geschil en de man ook geenszins misbruik heeft gemaakt van zijn rechten/ positie als gezagdragende ouder.
<nr>4</nr>De beoordeling
Vakantie Albanië
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij de vordering sub I vast, nu de vrouw per 26 juli 2026 met de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wil afreizen naar Albanië. De man heeft zich tegen het spoedeisende belang van de vrouw bij deze vordering ook niet verzet.
4.2.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.3.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven. Er is echter geen vergelijk tussen partijen mogelijk gebleken. Zij staan lijnrecht tegenover elkaar. Het is dan ook aan de voorzieningenrechter om op de vorderingen van de vrouw een beslissing te nemen.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat het in het algemeen in het belang van een kind is, wanneer dit kind op vakantie kan met (een van) zijn ouders. Uitzondering kan zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor het kind te zorgen of wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder. Nadat namens de vrouw op 16 april 2026 toestemming gevraagd is voor 4 vakanties naar Marokko of Spanje (in de periode 21 juli 2026 (gewijzigd naar 26 juli 2026) tot en met 4 augustus 2026 naar Spanje) is daar op 17 april 2026 door de advocaat van de man op gereageerd dat de man in beginsel niet tegen vakanties van de kinderen met de vrouw is, maar dat zijn bezwaar specifiek ziet op reizen naar Marokko en Spanje, gelet op lopende aangiftes in die landen tegen de vrouw. Voorts is medegedeeld dat de man blijft openstaan voor vakanties van de kinderen, maar dan wel naar een bestemming waar deze risico’s niet spelen. Vervolgens heeft de advocaat van de vrouw op 11 mei 2026 medegedeeld dat de vrouw met het oog op het voorkomen van verdere escalatie en onnodige procedures bewust heeft gekozen om uit te wijken naar een andere bestemming in welk kader zij om toestemming heeft verzocht voor een vakantie in Albanië.Gesteld noch gebleken is dat de vrouw niet goed voor de kinderen kan zorgen. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw na de korte vakantie in Albanië niet zal terugkeren met de kinderen en dus dat er een gegronde vrees is voor ontvoering van de kinderen naar het buitenland. Ook de GI ziet daarvoor geen aanwijzingen. Voorts gelden voor Albanië geen bijzondere veiligheidsrisico’s, het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft kleurcode groen, zodat ook om die reden niet valt in te zien dat de man een gegronde reden heeft zijn toestemming voor de vakantie te weigeren. Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter dat zij met de GI van oordeel is dat een komend begeleid contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hulpverlening aan de kinderen niet doorkruist wordt door deze vakantie. De vakantie betreft immers maar een korte periode van maximaal 10 dagen.

In beginsel behoort een ouder aan te geven waar hij of zij in het buitenland met de minderjarige kinderen zal verblijven. Gelet echter op hetgeen daarover naar voren is gebracht en het feit dat de vrouw een awaresysteem heeft, acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat er veiligheidsrisico’s zijn. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat van de vrouw niet verlangd kan worden aan te geven op welk adres zij met de kinderen in Albanië zal verblijven.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering sub I toewijzen, nu zij het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht dat zij met de vrouw op vakantie naar Albanië kunnen gaan. Een paspoort is daar niet voor nodig. Een identiteitskaart volstaat.

Vakantie van de vrouw met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Spanje of Marokko (herfst- en kerstvakantie)
4.5.
Allereerst zal beoordeeld moeten worden of de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen die zien op de herfst- en kerstvakantie 2026, hetgeen door de vrouw wordt gesteld en door de man wordt betwist. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw om redenen van proceseconomie tevens verzoekt om haar alvast vervangende toestemming te verlenen voor de door haar gewenste reizen met de kinderen naar Spanje of Marokko in oktober en december 2026, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hierin geen spoedeisend belang is gelegen. Niet valt in te zien dat voor die vakanties nu een onmiddellijke voorziening getroffen moet worden. Daarbij wordt mede betrokken dat te zijner tijd sprake kan zijn van andere feiten en/of omstandigheden die alsdan op hun eigen merites beoordeeld moeten worden. De vorderingen van de vrouw sub II en III zullen dan ook worden afgewezen.

Toestemmingsformulier voor de reis van [minderjarige 1] naar Marokko
4.6.
Ten aanzien van de vordering van de vrouw om te bepalen dat het in dezen te wijzen vonnis in de plaats zal treden van het toestemmingsformulier van de man voor de reis van [minderjarige 1] (met haar nicht, maar zonder de vrouw) naar Marokko staat het spoedeisend belang wel vast, omdat deze reis zou moeten plaatsvinden vanaf 5 augustus 2026. De man heeft het spoedeisend belang van de vrouw bij deze vordering ook niet betwist.
4.7.
Nu het een reis betreft die niet met één van de ouders wordt gemaakt en gelet op de door de man benoemde zorgen, die door de GI worden gedeeld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet in de rede ligt om voor deze reis vervangende toestemming te verlenen. Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw sub IV zal worden afgewezen.

Vervangende toestemming aanvraag paspoort ten behoeve van [minderjarige 1]
4.8.
Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij deze vordering. Voor de reis naar Albanië is een identiteitskaart voldoende.

Bovendien heeft [minderjarige 1] inmiddels een leeftijd bereikt waarop zij zelf een identiteitskaart kan aanvragen. De vordering sub V zal daarom eveneens worden afgewezen.

Proceskosten
4.9.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan en omdat de vorderingen betrekking hebben op hun beider kinderen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd. Iedere partij zal dus haar of zijn eigen kosten moeten dragen.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – vervangende toestemming om van 26 juli 2026 tot en met 4 augustus 2026 met de minderjarigen [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag 2] 2009 te [geboorteplaats] ) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag 3] 2014 te [geboorteplaats] ) naar Albanië te reizen en aldaar met hen te verblijven;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pellikaan, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.




Artikel delen