ECLI:NL:RBZWB:2026:7703text/xmlpublic2026-09-24T15:54:412026-08-14Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-14C/02/391517 / FA RK 21-5247UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7703text/htmlpublic2026-09-22T12:35:382026-09-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7703 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-07-2026 / C/02/391517 / FA RK 21-5247 Afspraken opgenomen in ouderschapsplan.
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/391517 / FA RK 21-5247 datum uitspraak: 14 juli 2026 nadere beschikking over hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de man]
,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.P.J. Brouwers in Tilburg, tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.M.G. Cox in Tilburg, over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
de Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Tilburg. 1Het procesverloop1.1 In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 11 april 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- de op 14 oktober 2025 ontvangen brief van de GI;
- de op 19 februari 2025, 29 oktober 2025 en 23 april 2026 ontvangen brieven van mr. Cox;
- de op 5 maart 2025, 30 oktober 2025, 2 maart 2026 en 7 mei 2026 ontvangen brieven van mr. Brouwers. 2De feiten2.1 Bij beschikking van 7 februari 2022 heeft de rechtbank bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige] en dat [minderjarige] voorlopig zijn hoofdverblijf heeft bij de man. Daarnaast zijn partijen verwezen naar het UHA-traject voor (jeugd)hulpverlening. 2.2 Bij beschikking van 25 oktober 2023 heeft de rechtbank de Raad verzocht nader onderzoek te verrichten naar de actuele situatie rond [minderjarige] en zijn ouders:
- Hoe is de situatie bij de man; hoe is de situatie bij de vrouw?
- Zijn er positieve ontwikkelingen in de situatie van ouders gaande?
- Welke betekenis komt aan de situaties toe voor wat betreft het toekomstperspectief van [minderjarige] , zowel in zijn relatie tot zijn vader als tot zijn moeder. 2.3 Bij beschikking van 11 april 2024 heeft de rechtbank bepaalt dat de vrouw en [minderjarige] voorlopig in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar wekelijks gedurende één uur onder begeleiding. Nu partijen zijn gekomen tot een gezamenlijk doel en bij separate beschikking de ondertoezichtstelling is uitgesproken, heeft de rechtbank de verzoeken met betrekking tot verdeling van de zorg- en opvoedingstakken aangehouden, waarbij de regie rondom het contactherstel en het toewerken naar een gelijkwaardige zorgverdeling bij de GI is belegd. Ook de verzoeken van partijen die zien op het hoofdverblijf van [minderjarige] zijn aangehouden. 3De verzoeken 3.1 Aan de orde is nog het verzoek van de man tot (definitieve) bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem. 3.2 Aan de orde zijn nog de verzoeken van de vrouw om:
- het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen;
- een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man te bepalen inhoudende dat [minderjarige] bij zijn vader verblijft één keer per twee weken van zaterdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur.
Indien de rechtbank het verzoek van de man ten aanzien van het hoofdverblijf toewijst, dan verzoekt de vrouw:
- een zorg- en contactregeling tussen de vrouw en [minderjarige] te bepalen waarbij [minderjarige] de ene week bij de vrouw verblijft en de andere week bij de man, waarbij er wordt gewisseld op zondag om 18.00 uur. 4De nadere beoordeling4.1 Bij brief van 10 oktober 2025 heeft de GI de rechtbank geïnformeerd over het verloop van de hulpverlening en de huidige stand van zaken. Er zijn grote stappen gezet in de hulpverlening ten behoeve van [minderjarige] . In januari 2025 is speltherapie voor [minderjarige] gestart, welke therapie hij in augustus 2025 positief heeft afgerond. Vanuit De Gezinsmanager zijn twee hulpverleners betrokken geraakt. Er hebben specialistische contactobservaties plaatsgevonden waarbij [minderjarige] eerst statusvoorlichting heeft gekregen, aangezien hij in de veronderstelling was dat zijn moeder was overleden. Het contact tussen [minderjarige] en de vrouw is vervolgens stapsgewijs uitgebreid; eerst begeleid contact bij De Gezinsmanager waarna dit contact in duur en frequentie is uitgebreid naar de thuissituatie van de vrouw. De specialistische contactobservaties zijn in augustus 2025 afgerond doordat de doelen zijn behaald. Zowel de GI als De Gezinsmanager constateren dat partijen opvoedvragen hebben. Om die reden zal per november 2025 een ambulant begeleider vanuit De Gezinsmanager gaan starten om beide ouders individueel in hun thuissituatie te ondersteunen. Daarnaast is ook een ouderschapsbemiddelaar betrokken vanuit De Gezinsmanager. De ouderschapsbemiddelaar ondersteunt partijen in hun gezamenlijke communicatie ten behoeve van [minderjarige] en stelt samen met partijen een ouderschapsplan op. 4.2 Bij brief van 23 april 2026 is namens de vrouw aangegeven dat partijen een ouderschapsplan hebben ondertekend en ook een zorg- en contactregeling hebben afgesproken. De vrouw verzoekt het ouderschapsplan alsmede de zorg- en contactregeling over te nemen in een beschikking. De eerder door de vrouw ingediende verzoeken, indien en voor zover deze afwijken van het thans overeengekomen ouderschapsplan en zorg- en contactregeling, worden ingetrokken. De vrouw verzoekt de zaak schriftelijk af te doen. 4.3 Bij brief van 7 mei 2026 is namens de man medegedeeld dat het partijen is gelukt om afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , welke afspraken zijn vastgelegd in een door partijen ondertekend ouderschapsplan. Uit het ouderschapsplan blijkt dat partijen hebben afgesproken dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de man. Het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen ligt dan ook voor toewijzing gereed. Ook ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben partijen uitgebreide afspraken gemaakt, welke zijn vastgelegd in het ouderschapsplan. De man verzoekt te bepalen dat het ouderschapsplan deel zal uitmaken van de af te geven beschikking. Ook de man verzoekt de procedure schriftelijk af te doen. 4.4 Allereerst wil de rechtbank partijen complimenteren met de stappen die zij hebben gezet en de afspraken die zij hebben gemaakt. Door de inzet van partijen en de hulpverlening is het hen gelukt om in het belang van [minderjarige] duidelijke afspraken te maken en deze vast te leggen in een ouderschapsplan. [minderjarige] is gebaat bij deze duidelijke afspraken. 4.5 Blijkens het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf, en dus inschrijving op het adres van de man, zal behouden. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [minderjarige] definitief zijn hoofdverblijf bij de man heeft.
Daarnaast zal de rechtbank, conform het verzoek van partijen, bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking. De door partijen gemaakte afspraken zoals opgenomen in het ouderschapsplan acht de rechtbank in het belang van [minderjarige] . 4.6 De vrouw heeft haar verzoeken voor zover deze afwijken van de in het ouderschapsplan opgenomen afspraken ingetrokken. Dit betekent dat deze verzoeken voor zover worden afgewezen. 4.7 Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen. 5De beslissing De rechtbank bepaalt dat [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020 zijn hoofdverblijf heeft bij de man; bepaalt dat de onderling getroffen regelingen in het ouderschapsplan voor het overige als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd onder verwijzing naar de als bijlage ingevoegde scan van het ouderschapsplan en beveelt partijen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in aanwezigheid van Van Diepen, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.