Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7740

Kort geding vervangende toestemming vakantie. Vordering vrouw toegewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7740 text/xml public 2026-09-25T15:21:00 2026-08-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-15 C/02/448791 / KG ZA 26-283 Uitspraak Kort geding Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7740 text/html public 2026-09-23T10:52:35 2026-09-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7740 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-07-2026 / C/02/448791 / KG ZA 26-283
Kort geding vervangende toestemming vakantie. Vordering vrouw toegewezen.

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer / rolnummer: C/02/448791 / KG ZA 26-283

Vonnis in kort geding van 15 juli 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. A.L. Slager te Goes,

tegen

[de man] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,

gedaagde,

Partijen zullen hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd worden.

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over de vorderingen geadviseerd.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de mondelinge behandeling op 13 juli 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van Raad.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is de [minderjarige] geboren. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2015 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum 2] 2015 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente Borsele.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2015 is, voor zover thans van belang, bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank [datum 1] 2015 is tevens overwogen dat het op 27 en 28 maart 2015 ondertekende ouderschapsplan aan de beschikking aangehecht zal worden. Partijen zijn in dit ouderschapsplan ten aanzien van de zorgregeling overeengekomen dat onder begeleiding van mw. [persoon] (oma) [minderjarige] op zaterdagen van ongeveer 08:30 uur tot ongeveer 18:00 uur bij de man zal verblijven. Andere dagen zijn bespreekbaar, mits dit onder toezicht van oma zal plaatsvinden. Ook is in dit ouderschapsplan bepaald dat de man en de vrouw elkaar over en weer op de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] en elkaar daarover te dezer zake raadplegen. De ouders zullen iedere maand, buiten de aanwezigheid van [minderjarige], met elkaar overleg plegen, teneinde informatie uit te wisselen en elkaar te consulteren.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2019 is het verzoek van de man om de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat de zorgregeling niet langer begeleid hoeft te worden, afgewezen. Daarnaast is de tussen partijen overeengekomen informatieregeling gewijzigd, in die zin dat de vrouw de man eenmaal per maand – dan wel indien noodzakelijk eerder – per e-mailbericht informeert over de ontwikkeling van [minderjarige], en andere belangrijke gebeurtenissen welke zich met betrekking tot de minderjarige hebben voorgedaan, waarbij onder andere informatie wordt verstrekt over zijn schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten, onder overlegging van kopieën van schoolrapporten. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de man de vrouw na ieder omgangsmoment met [minderjarige] per e-mailbericht kort informeert over het verloop daarvan.
2.6.
Op 19 januari 2026 heeft de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/444328 / FA RK 26-392) strekkende tot een wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag naar eenhoofdig gezag.
<nr>3</nr>De vorderingen 3.1.
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. De vrouw toestemming te verlenen, welke in de plaats komt van de toestemming van de mede gezaghebbende man, om met de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats], naar Kos te reizen en aldaar te verblijven gedurende de periode van 4 augustus 2026 tot en met 13 augustus 2026;

2. De man te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nasalaris, met bepaling dat over de proceskosten de wettelijke vertragingsrente verschuldigd zal zijn, indien deze kosten niet binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis zijn voldaan.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw heeft de man begin mei 2026 gevraagd om de toestemmingsformulieren voor de reis te tekenen. De man heeft toen mondeling ingestemd, maar hij heeft de formulieren niet ondertekend. Het is de vrouw, ondanks herhaaldelijke pogingen, daarna niet meer gelukt om met de man in contact te komen. Ook is het de vrouw gebleken dat de man niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs of een telefoon. De man reageert voorts niet op e-mailberichten. Zowel de vrouw als de moeder van de man (oma) weten niet waar de man verblijft. De man heeft oma recent gebeld met de telefoon van iemand anders en gevraagd of zij hem wilde ophalen. Er is toen, in het bijzijn van [minderjarige], een ruzie ontstaan, omdat oma de man geen geld wilde geven. De bezoekmomenten tussen de man en [minderjarige] verlopen ook niet goed, aangezien de man niet of te laat komt. Bovendien lijkt de man een verkeerde afslag in zijn leven te hebben genomen, wat maakt dat hij niet beschikbaar is voor [minderjarige]. De vrouw zou het graag anders willen.
3.3.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw.
<nr>4</nr>De beoordeling
Verstek
4.1
Bij aanvang van de zitting heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat de man niet is verschenen. Nadat de voorzieningenrechter tijdens de zitting heeft vastgesteld dat ten aanzien van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is ter zitting tegen de man verstek verleend.

Spoedeisend belang
4.2.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door de vrouw tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen vast. Dit spoedeisend belang vloeit voort uit het feit dat de beoogde reis aanvangt op 4 augustus 2026, terwijl de man, ondanks herhaaldelijke verzoeken, geen medewerking verleent en evenmin over een geldig legitimatiebewijs beschikt om toestemming te kunnen verlenen. De tussen partijen aanhangige bodemprocedure met betrekking tot het gezag zal ook niet op korte termijn worden behandeld in verband met een wettelijke (minimale) oproeptermijn van drie maanden. De voorzieningenrechter zal voormelde vorderingen daarom hierna inhoudelijk beoordelen en vervolgens daarop beslissen.

Het advies van de Raad
4.3.
Namens de Raad is tijdens de zitting van 13 juli 2026, kort samengevat, naar voren gebracht dat het verdrietig is voor [minderjarige] dat hij geconfronteerd wordt met een niet beschikbare vader. Het feit dat de vrouw een procedure aanhangig heeft moeten maken om met [minderjarige] op vakantie te kunnen, laat zien hoe slecht het gaat. De Raad ziet geen redenen om geen vervangende toestemming te verlenen voor de vakantie. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij op vakantie kan.

Beslissing vorderingen vrouw
4.4.
De voorzieningenrechter zal, conform het advies van de Raad, de vordering van de vrouw ten aanzien van de vervangende toestemming voor een buitenlandse vakantie toewijzen. Hij zal hierna toelichten waarom hij tot deze beslissing is gekomen.
4.5.
Het verzoek strekkende tot het vervangen van de toestemming van de man tot het reizen met [minderjarige] is gebaseerd op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De voorzieningenrechter neemt een beslissing die hem in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt. Aangezien de man niet is verschenen, heeft de voorzieningenrechter geen vergelijk tussen de ouders kunnen beproeven op grond van lid 5 van voormeld artikel.
4.6.
Nu partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige], heeft de vrouw in beginsel de toestemming van de man nodig om samen met [minderjarige] naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. De voorzieningenrechter stelt vast dat de vrouw geruime tijd voor de voorgenomen vakantie de man hierover heeft geïnformeerd en heeft gevraagd om zijn toestemming hiervoor te verstrekken. De man heeft op dat moment, alsmede een week later, mondeling toegezegd de benodigde formulieren te gaan ondertekenen, maar heeft dit – ondanks herhaaldelijke inspanningen van de vrouw – nagelaten. Het is de vrouw niet meer gelukt om met de man in contact te komen, nu hij niet reageert op e-mailberichten en niet beschikt over een eigen telefoon. Uit het niet reageren van de man op de herhaaldelijke verzoeken van de vrouw wordt afgeleid dat de man weigert om aan haar toestemming te geven om met [minderjarige] naar het buitenland op vakantie te gaan. Daarnaast is het de voorzieningenrechter gebleken dat de man niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs, wat maakt dat de benodigde toestemming – in het geval dat de man de toestemming wel zou geven – niet rechtsgeldig kan worden verleend. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de beoogde vakantie in het belang van [minderjarige] is. Er is geen sprake van zwaarwegende feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het verlenen van de verzochte voorziening in strijd komt met de belangen van [minderjarige]. Zo zijn er geen concrete veiligheidsrisico’s ten aanzien van het land van bestemming, is er geen aanleiding om te vrezen dat [minderjarige] na afloop van de vakantie niet terug zal keren naar Nederland, zijn de heen- en terugvlucht geboekt en is de verblijfplaats van [minderjarige] tijdens de reis bekend. Nu de man niet is verschenen in deze procedure, hij zich niet heeft verzet tegen de vordering en niet is gebleken van gewichtige redenen om de voorgenomen vakantie te weigeren, zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw om met [minderjarige] naar Kos te reizen en aldaar te verblijven gedurende de periode van 4 augustus 2026 en tot en met 13 augustus 2026 toewijzen.
4.7.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel in familiezaken dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Hij zal daarom de vordering van de vrouw afwijzen en, gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, de proceskosten tussen hen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.8.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om met de [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats], naar Kos (Griekenland) te reizen en aldaar te verblijven gedurende de periode van 4 augustus 2026 tot en met 13 augustus 2026;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier.

Artikel delen