Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7741
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-08-2026
Datum publicatie
25-09-2026
Zaaknummer
C/02/447567 / JE RK 26-717
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
ECLI:NL:RBZWB:2026:7741text/xmlpublic2026-09-25T14:52:012026-08-15Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-15C/02/447567 / JE RK 26-717UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7741text/htmlpublic2026-09-23T09:36:552026-09-25Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7741 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-07-2026 / C/02/447567 / JE RK 26-717 Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/447567 / JE RK 26-717
Datum uitspraak: 13 juli 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI, over de minderjarigen
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1], en
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats 1],
hierna te noemen: de moeder,
[de vader]
,
wonende in [woonplaats 2],
hierna te noemen: de vader. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de kinderrechter over de verzoeken geadviseerd. 1Het verloop van de procedure1.1 De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het op 16 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 8 van de GI;
- de brief met bijlage van de GI van 6 juli 2026. 1.2 De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Bij deze zitting zijn verschenen en gehoord:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster namens de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad. 1.3 Hoewel behoorlijk opgeroepen is de vader niet op de zitting verschenen. 2De feiten 2.1 De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. 2.2 Bij beschikking van 17 juli 2025 van deze rechtbank heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 17 juli 2026. Daarnaast is in deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 17 juli 2026. 2.3 Op grond van de machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige 1] op een [woongroep]. 3Het verzoek De GI verzoekt, samengevat, om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden, te weten tot 17 april 2027. Daarnaast verzoekt de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van negen maanden, te weten tot 17 april 2027. Ten slotte verzoekt de GI om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten4.1 De GI geeft aan dat het belangrijk is dat de ondertoezichtstelling van de kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] wordt verlengd. De afgelopen periode is er aan de doelen gewerkt en er zijn stappen gezet. Het is de ouders gelukt om een ouderschapsplan op te stellen en er zijn afspraken gemaakt over de manier waarop de communicatie tussen hen moet verlopen. Echter, er zijn nog steeds zorgen over de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders. Het lukt hen nog onvoldoende om met elkaar in gesprek te blijven en om regels en afspraken met elkaar te maken over de kinderen. Voor [minderjarige 1] moeten er nog altijd belangrijke beslissingen worden genomen en er wordt gezien dat de tussenkomst van de jeugdbeschermer noodzakelijk is om deze beslissingen te nemen en knopen door te hakken. Er is recent gestart met een nieuw traject ouderschapsbemiddeling, waarin de ouderschapsbemiddelaar heeft uitgesproken dat een solo parallel ouderschap het meest passend is voor de situatie van ouders. Voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] geeft de GI aan dat zij vanwege haar verstandelijke beperking en kwetsbaarheid duidelijkheid en structuur nodig heeft in een rustige en vertrouwde opvoedsituatie. Beide ouders hebben uitgesproken dat zij dit [minderjarige 1] niet kunnen bieden. Om de opvoedsituatie van [minderjarige 1] op de groep te kunnen waarborgen is een uithuisplaatsing noodzakelijk. Inmiddels heeft de GI ook het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij haar ouders ligt en er niet meer zal worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouders. De ouders staan achter dit besluit. In de komende periode zullen de mogelijkheden worden onderzocht voor een passende vervolgplek voor [minderjarige 1]. De GI vindt het belangrijk dat de kinderrechter een overweging wijdt aan het genomen opvoedbesluit. 4.2 Op de mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven dat zij instemt met de verzoeken van de GI. De moeder beseft ook dat zij [minderjarige 1] zelf niet kan bieden wat zij nodig heeft. 4.3 Uit de stukken blijkt dat de vader instemt met de verzoeken van de GI. 4.4 De Raad heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat er positieve stappen zijn gezet en dat duidelijk is waaraan in de komende periode nog moet worden gewerkt. Beide ouders hebben zich goed ingezet, maar er moet aandacht blijven voor de communicatie tussen hen. De Raad vindt het ook positief om te vernemen dat ouders zelf ook inzien dat de gevraagde maatregelen nog nodig zijn en dat de GI een opvoedbesluit heeft genomen, welk besluit door de ouders ook wordt geaccepteerd. 5De beslissing5.1 Op basis van de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk. 5.2 In de afgelopen periode is er door iedereen veel werk verricht. Er zijn afspraken over de kinderen gemaakt en opgenomen in een door de ouders ondertekend ouderschapsplan. Ook zijn er afspraken gemaakt over de manier waarop de ouders met elkaar communiceren en samenwerken. Uit de stukken blijkt verder dat [minderjarige 2] zich goed ontwikkelt en dat [minderjarige 1] nog traumatherapie krijgt. De samenwerking en communicatie tussen de ouders blijft een aandachtspunt en er is onlangs gestart met ouderschapsbemiddeling waarin wordt ingezet op solo parallel ouderschap (of een andere passende vorm van ouderschap). Deze inzet van ouderschapsbemiddeling is noodzakelijk, omdat voor [minderjarige 1] geldt dat vanwege haar verstandelijke beperking en kindeigen problematiek voortdurend beslissingen moeten worden genomen. Voor [minderjarige 2] geldt dat hij in de toekomst niet meer tussen de ouders wordt geplaatst. Het solo parallel ouderschap (of een andere passende vorm van ouderschap) moet stevig worden neergezet voordat de hulpverlening en de regievoering kan worden afgeschaald naar het vrijwillig kader. 5.3 Voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 1] nu op een [woongroep] verblijft. Binnen deze groep krijgt [minderjarige 1] de structuur en duidelijkheid die zij nodig heeft en het is noodzakelijk om deze stabiele opvoedsituatie te waarborgen. Hiervoor is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Inmiddels is ook duidelijk geworden dat de GI een opvoedbesluit heeft genomen. Het perspectief van [minderjarige 1] ligt niet meer thuis. Voor wat betreft de inhoud van het opvoedbesluit overweegt de kinderrechter dat zij op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad hierover geen inhoudelijk oordeel kan geven. Echter, de kinderrechter begrijpt ook het belang van partijen om in deze beschikking hierover iets terug te lezen. Het is voor de kinderrechter duidelijk dat niet meer wordt gewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en dat de ouders hierachter staan. De kinderrechter ziet ook het belang van [minderjarige 1] dat zij verder zal opgroeien binnen de woongroep. 5.4 De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de kinderen is dat de beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen de beslissing. 6De beslissing De kinderrechter 6.1 verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 17 juli 2026 tot 17 april 2027; 6.2 verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 17 juli 2026 tot 17 april 2027; 6.3 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, bijgestaan door de griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 juli 2026. Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.