Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7742

Machtiging gesloten jeugdhulp - 1 maand, onder aanhouding van resterende deel van 1 maand - kinderrechter verwacht nadere informatie van de GI over vervolgplaatsing in open setting.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7742 text/xml public 2026-09-25T15:18:01 2026-08-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-15 C/02/449947 / JE RK 26-1174 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7742 text/html public 2026-09-23T10:49:57 2026-09-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7742 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-07-2026 / C/02/449947 / JE RK 26-1174
Machtiging gesloten jeugdhulp - 1 maand, onder aanhouding van resterende deel van 1 maand - kinderrechter verwacht nadere informatie van de GI over vervolgplaatsing in open setting.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449947 / JE RK 26-1174

Datum uitspraak: 15 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

over de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige],

advocaat: mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juli 2026.
1.2.
Op 15 juli 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

- [minderjarige], die eerst apart is gehoord, bijgestaan door haar advocaat;

- de moeder;

- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Gelet op de aflooptermijn van de gesloten machtiging, zijnde 17 juli 2026, heeft de kinderrechter zich genoodzaakt gezien met spoed een zitting te plannen op 15 juli 2026. De vader is niet bij de zitting aanwezig geweest.
1.4.
Volledigheidshalve merkt de kinderrechter op dat de moeder digitaal, via MS Teams, aan de zitting heeft deelgenomen.
1.5.
[minderjarige] was in verband met een kamp in België niet in de mogelijkheid om fysiek naar de rechtbank te komen. De kinderrechter heeft [minderjarige] telefonisch gehoord. [minderjarige] en haar advocaat hadden geen bezwaar tegen deze manier van horen.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 24 april 2026 tot 24 april 2027.
2.3.
Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, zijnde met ingang van 17 april 2026 tot 17 juli 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op basis van voormelde machtiging bij [accommodatie].
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een

gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee maanden.
<nr>4</nr>Het standpunt van de GI 4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek heeft de GI, samengevat, het volgende aangevoerd. [minderjarige] is op 9 juli 2025 geplaatst binnen [accommodatie]. In de afgelopen periode heeft [minderjarige] stappen gezet in het opbouwen van vrijheden. Zij kan bijvoorbeeld wekelijks het terrein af zonder begeleiding. [minderjarige] heeft een goede band met begeleiding, is over het algemeen open en eerlijk en gaat het gesprek aan over de dingen waar zij mee zit. Soms wordt gezien dat [minderjarige] moeite heeft met ‘nee’ zeggen. Hierdoor belandt zij in ongewenste situaties waarin anderen negatieve invloed op [minderjarige] uitoefenen. Op het vlak van de eigen identiteitsontwikkeling is nog winst te behalen. Hoewel [minderjarige] dus goede stappen zet, zijn er ook risico’s. Gezien wordt dat [minderjarige] gemotiveerd is om aan zichzelf te werken.
4.2.
Op dit moment heeft [minderjarige] geen contact met de vader. Op 29 mei 2026 is besloten om de begeleide contacten per direct stop te zetten, omdat deze contacten voor [minderjarige] te belastend zijn en het voor [minderjarige] belangrijk is dat zij zich op haar eigen traject en ontwikkeling kan focussen. Bovendien werden gemaakte afspraken niet nageleefd, wat zorgde voor onrust en een gevoel van onveiligheid op de groep.
4.3.
In de opvoedsituatie was sprake van onstabiliteit door de complexe situatie tussen de ouders. [minderjarige] heeft een liefdevolle, stabiele en rustige omgeving nodig waar zij zich verder kan ontwikkelen. [minderjarige] is toe aan een vervolgstap. Een aanmelding bij Sterk Huis in [plaats 1] heeft plaatsgevonden. Echter, daar is op dit moment geen plek voor [minderjarige] beschikbaar. Een alternatief is een plaatsing op een behandelsetting in [plaats 2]. Deze (nieuwe) plek wordt minder geschikt geacht, omdat hier jongere kinderen verblijven en dit een behandelsetting is die geheel doorlopen moet worden. De verwachting is dat de behandeling van [minderjarige] ongeveer een jaar in beslag zal nemen. Daarna zal zij weer overgeplaatst moeten worden. Voorkomen moet worden dat [minderjarige], zolang er geen plek is bij Sterk Huis, van crisisgroep naar crisisgroep verplaatst. Een tijdelijk verblijf als overbrugging bij de moeder is geen optie.
4.4.
De GI begrijpt de frustratie van [minderjarige] over haar gesloten plaatsing, maar een verlenging van de huidige plaatsing is voor [minderjarige] nu het minst schadelijk. De GI verwacht dat in de zomerperiode een overplaatsing naar Sterk Huis kan plaatsvinden, waarbij het de bedoeling is dat [minderjarige] na de zomervakantie in de regio van Sterk Huis zal starten op de middelbare school. Eerder heeft [minderjarige] zelf aangegeven nog bij [accommodatie] te willen blijven tot een definitieve plaatsing bij Sterk Huis. De GI volhardt in het verzoek.
<nr>5</nr>Het standpunt van belanghebbenden 5.1.
[minderjarige] vertelt de kinderrechter, samengevat, dat zij het niet eens is met het verzoek. [minderjarige] vindt dat de GI actie moet ondernemen. Doordat de GI geen plan van aanpak heeft, wordt de gesloten plaatsing steeds verlengd. [minderjarige] is hiervan de dupe. Zij heeft alles gedaan wat zij kon en heeft inmiddels alle vrijheden opgebouwd. Volgens [minderjarige] is het niet langer terecht dat zij gesloten moet worden geplaatst. Bovendien zorgt dit ervoor dat zij haar motivatie verliest, want wat zij ook doet, als er op de GI geen druk wordt uitgeoefend zal zij gesloten geplaatst blijven.
5.2.
De moeder brengt, samengevat, naar voren dat zij zich niet verzet tegen het verzoek. De moeder ziet dat het minst slechte voor [minderjarige] een verlenging van de gesloten plaatsing is. Voorkomen moet worden dat de machtiging nu niet wordt verleend en [minderjarige] van crisisbed naar crisisbed gaat. Ook een plaatsing naar [plaats 2] is voor [minderjarige] niet het beste. [minderjarige] heeft het nodig dat zij hier goed op voorbereid wordt en dat is nu niet het geval. De moeder heeft andere informatie dan de GI over Sterk Huis. Volgens de moeder is er een opnamestop vanwege personeelstekort. Niet bekend is wanneer deze opnamestop wordt opgeheven. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat er een gedegen plek wordt gevonden waar zij voor langere tijd kan blijven. De huidige situatie laat zien dat het systeem faalt en dat is frustrerend.
5.3.
Namens [minderjarige] voert mr. Bronsveld, samengevat, het volgende aan. Primair wordt verzocht om het verzoek af te wijzen. Het verzoek voldoet niet aan de wettelijke criteria en bovendien is er een gebrek aan perspectief. Daarnaast is een langere gesloten plaatsing niet proportioneel. Subsidiair, wanneer de kinderrechter een gesloten machtiging zal verlenen, wordt verzocht deze in duur te beperken tot twee weken. In die periode dient de GI helderheid te verschaffen over de vervolgplaatsing voor [minderjarige]. De kinderrechter dient hierover nader geïnformeerd te worden. Op dit moment is er te weinig informatie beschikbaar om het verzoek volledig toe te wijzen. De GI kan in de stukken en ter zitting onvoldoende uitsluitsel geven over het vervolg. De GI beschikt niet over een plan B. In feite is een plaatsing bij de behandelsetting in [plaats 2] geen optie. Bovendien moet [minderjarige] goed worden voorbereid op een vervolgplaatsing en daarvoor is geen tijd. Daarom wordt verzocht om het resterende deel van het verzoek aan te houden, zodat de GI de kinderrechter nader kan informeren. Zij krijgen met een aanhouding de gelegenheid om een plan B uit te werken.
<nr>6</nr>De beoordeling
Wat zegt de wet?
6.1.
De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:

a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;

b. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en

c. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.

Inhoudelijke beoordeling
6.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Hoewel de kinderrechter ziet dat [minderjarige] zich erg positief ontwikkelt, zij heeft gewerkt aan verschillende behandeldoelen en zij veel vrijheden heeft verworven, zijn er ook nog risico’s. [minderjarige] kan op dit moment nog onvoldoende zelfstandig de geleerde vaardigheden in de praktijk brengen. De kinderrechter volgt hierin ook de gedragswetenschapper; de acute onveiligheid en gedragsproblematiek die eerder op de voorgrond stonden zijn duidelijk naar de achtergrond geraakt. Wat resteert is vooral ontwikkelingsgerichte problematiek: identiteitsvorming, emotieregulatie, weerbaarheid en het bestendigen van de ingezette groei.
6.3.
Ondanks alle positieve ontwikkelingen en de conclusie dat [minderjarige] toe is aan een vervolgstap, te weten de overplaatsing naar een open behandelsetting, moet de kinderrechter ook constateren dat een overplaatsing op dit moment niet tot de mogelijkheden behoort. Hoe frustrerend ook, er is op dit moment simpelweg geen vervolgplek voor [minderjarige] beschikbaar. Een intakegesprek bij Sterk Huis heeft uitgewezen dat daar, in ieder geval vóór de aflooptermijn van de huidige machtiging, geen plaats is. De moeder spreekt daarbij over een opnamestop, terwijl de GI verwacht dat er in de zomerperiode een plek vrijkomt. Van welke situatie er nu sprake is, feit is dat [minderjarige] op dit moment niet bij Sterk Huis terecht kan. Ook een overplaatsing naar een andere behandelsetting in [plaats 2], waarover niet met [minderjarige] is gecommuniceerd, behoort op dit moment niet tot de mogelijkheden. Niet alleen is [minderjarige] hierop onvoldoende voorbereid, ook is gebleken dat een eventuele plaatsing aldaar wellicht niet passend zou zijn; [minderjarige] zou daar verblijven tussen jongere kinderen en ook dient zij in [plaats 2] het gehele behandeltraject te doorlopen om vervolgens weer overgeplaatst te gaan worden. De kinderrechter heeft zich er ook van vergewist dat een tijdelijke plaatsing bij de moeder niet mogelijk is en het verblijf op een crisisgroep, begrijpelijkerwijs, niet passend wordt geacht. De kinderrechter kan dan ook niet anders dan concluderen dat daarmee enkel een continuering van het verblijf bij [accommodatie] een mogelijkheid is.

Duur van de machtiging
6.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter dan ook genoodzaakt om de machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen. De kinderrechter zal dit doen voor de duur van één maand, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter geeft daarmee de GI de gelegenheid om tussentijds nader onderzoek te verrichten naar een vervolgplaatsing van [minderjarige] op zeer korte termijn en de kinderrechter daarover te informeren. Immers, zoals ter zitting uitgebreid is besproken, ontbreekt het de GI aan een plan B. Onvoldoende duidelijk is wat de GI met een vervolgplaatsing van [minderjarige] voor ogen heeft en wanneer deze overplaatsing plaats kan vinden. De kinderrechter betrekt daarin dat er tegengestelde berichten zijn over de mogelijke termijn waarop een plaatsing van [minderjarige] bij Sterk Huis kan plaatsvinden. Ook is onvoldoende duidelijk in hoeverre een plaatsing van [minderjarige] in [plaats 2] überhaupt tot de mogelijkheden behoort én is onbekend wat de GI zal doen als het (resterende) verzoek tot een machtiging gesloten jeugdhulp zal worden afgewezen. De kinderrechter wenst hierover door de GI nader te worden geïnformeerd. De kinderrechter verwacht dan ook van de GI, uiterlijk op 6 augustus 2026, schriftelijke verslagslegging op voormelde punten, een en ander onder gelijktijdige verstrekken daarvan aan de ouders en mr. Bronsveld.
6.5.
Gelet op de korte termijnen zal de kinderrechter alvast een vervolgzitting bepalen, zoals hierna in het dictum te melden. Mr. Bronsveld en de ouders krijgen bij deze vervolgzitting de gelegenheid om op het schriftelijk verslag van de GI te reageren. Indien gewenst kan mr. Bronsveld namens [minderjarige] ook voorafgaand aan de vervolgzitting een schriftelijke reactie indienen.
6.6.
De kinderrechter merkt tot slot op dat hij de frustratie van [minderjarige] en haar moeder begrijpt en hij hun mening over een falend systeem volgt. Dit neemt echter niet weg dat er keuzes moeten worden gemaakt die het meest in het belang van [minderjarige] zijn. In dit geval is dat het kiezen voor de minst slechte keuze. De kinderrechter volgt daarin hetgeen de gedragswetenschapper ook heeft opgemerkt: het ontbreekt niet aan een passend alternatief, het ontbreekt aan de beschikbaarheid ervan. Dat is een belangrijk onderscheid. De gesloten plaatsing wordt op dit moment niet voortgezet omdat de geslotenheid inhoudelijk nog nodig is, maar omdat de passende open plek er nog niet is.

Samenvattend
6.7.
Samenvattend: de machtiging zal worden verleend voor de duur van één maand, zijnde tot 17 augustus 2026. Het resterende deel van het verzoek (één maand) zal worden aangehouden tot na te melden vervolgzitting. Voorafgaand aan die zitting verwacht de kinderrechter een schriftelijk verslag van de GI, zoals is weergegeven in rechtsoverweging 6.4, waarna belanghebbenden op de zitting gelegenheid krijgen tot reactie.
6.8.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
<nr>7</nr>De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten

accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 juli 2026 tot 17 augustus 2026;
7.2.
houdt aan het resterende deel van het verzoek tot de zitting van [datum] 2026 te [uur] bij de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Sumner), locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
7.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor deze zitting voor de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de vader;
7.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen