ECLI:NL:RBZWB:2026:7752text/xmlpublic2026-09-25T14:50:002026-08-15Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-15C/02/ 432890 FA RK 25-1258UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7752text/htmlpublic2026-09-23T11:39:052026-09-25Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7752 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-07-2026 / C/02/ 432890 FA RK 25-1258 Verwijzing UHA. Voorlopige zorgregeling. Kinderalimentatie.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/ 432890 FA RK 25-1258 datum uitspraak: 15 juli 2026 beschikking betreffende hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. Z. Gademan, en
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M. de Maaré.
1 Het verdere procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
- een aanvullend verzoekschrift van mr. Gademan van 13 mei 2026 met productie 11;
- de brief van mr. De Maaré van 15 juni 2026 met producties 4 tot en met 9;
- de brief van mr. Gademan van 15 juni 2026 met producties 12 tot en met 25;
- de brief van mr. Gademan van 23 juni 2026 met producties 26 en 27;
- de brief van mr. De Maaré van 24 juni 2026 met productie 10 en 11. 1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 25 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. 2De verzoeken2.1 In de beschikking van 24 februari 2026 heeft de rechtbank op verzoek van partijen vervroegd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de regelingen uit het aan de beschikking gehechte echtscheidingsconvenant onderdeel uitmaken van de beschikking en partijen bevolen om de verplichtingen uit het convenant na te komen. De rechtbank heeft de beslissingen over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden. 2.2. Op 13 mei 2026 is namens de vrouw nog een aanvullend verzoekschrift ingediend. De vrouw heeft daarin ten aanzien van de zorgregeling verzocht te bepalen dat de man en de kinderen contact hebben conform de tijdelijke regeling zoals in de beschikking voorlopige voorzieningen van 6 februari 2026 is bepaald. Verder heeft de vrouw aanvullend verzocht om:
- vervangende toestemming om in de periode 11 augustus 2026 tot en met 23 augustus 2026 met de kinderen met de auto naar Frankrijk te reizen;
- de man te verplichten uiterlijk 8 augustus 2026 de reisdocumenten van de kinderen aan de vrouw ter hand te stellen;
- aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om voor [minderjarige 1] zowel een nieuw paspoort als een identiteitskaart aan te vragen;
- aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om voor [minderjarige 2] een identiteitskaart aan te vragen; 3De beoordeling Hoofdverblijf en zorgregeling 3.1 De vrouw verzoekt de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen en een definitieve zorgregeling vast te stellen, waarbij wordt aangesloten bij de tijdelijke zorgregeling die partijen met elkaar zijn overeengekomen en die is vastgelegd in de beschikking van 6 februari 2026. Aan die regeling wordt ook uitvoering gegeven. Volgens die zorgregeling heeft de man op de volgende momenten de zorg voor de kinderen: Tweewekelijks schema: • In de oneven weekenden van vrijdag 17.30 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de vrijdag naar de man brengt en de man de kinderen op zondag naar de vrouw brengt;
• Wekelijks op dinsdagmiddag, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de opvang en de kinderen vervolgens om 19.00 uur (na het avondeten) weer naar de vrouw brengt. Vakanties en feestdagen
Herfstvakantie
In de even jaren verblijven de kinderen tijdens de herfstvakantie bij de moeder. In de oneven jaren bij de vader. De vakantie vangt aan op zondag om 18.00 uur en eindigt op vrijdag om 17.30 uur. In het eerste en laatste weekend van de vakantie verblijven de kinderen bij de ouder wiens weekend het is volgens het reguliere schema.
UITZONDERING: als de betreffende ouder met de kinderen opvakantie wil gaan naar een locatie alwaar de aankomstdag en vertrekdag op zaterdag zijn, dan zal de andere ouder zich flexibel opstellen, aldus dat de vakantie al eerder aanvangt (te weten op zaterdagochtend in plaats van zondagavond) danwel later eindigt (op zaterdag einde dag in plaats van vrijdag 17.30 uur). Voorwaarde is wel dat de betreffende ouder dit ruim van tevoren aankondigt (minimaal 4 weken voor vertrek) onder overlegging van een afschrift van het boekingsbewijs. Carnavalsvakantie:
In de oneven jaren verblijven de kinderen tijdens de carnavalsvakantie bij de moeder. In de even jaren bij de vader. De vakantie vangt aan op zondag om 18.00 uur en eindigt op vrijdag om 17.30 uur. In het eerste en laatste weekend van de vakantie verblijven de kinderen bij de ouder wiens weekend het is volgens het reguliere schema. UITZONDERING: als de betreffende ouder met de kinderen op vakantie wil gaan naar een locatie alwaar de aankomstdag en vertrekdag op zaterdag zijn, dan zal de andere ouder zich flexibel opstellen, aldus dat de vakantie al eerder aanvangt (te weten op zaterdagochtend in plaats van zondagavond) danwel later eindigt (op zaterdag einde dag in plaats van vrijdag 17.30 uur). Voorwaarde is wel dat de betreffende ouder dit ruim van tevoren aankondigt (minimaal 4 weken voor vertrek) onder overlegging van een afschrift van het boekingsbewijs. Kerst en oud & nieuw:
De kinderen zijn jaarlijks op kerstavond en op lekerstdag bij de moeder en op de 2e kerstdag bij vader. De kinderen gaan op 26 december niet later dan 12.00 uur naar de vader en gaan op 27 december niet later dan 12.00 uur weer terug naar moeder, als de kinderen in de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder verblijven (zie hieronder).
Als de kinderen de eerste week van de kerstvakantie bij de man verblijven gaan de kinderen op 24 december niet later dan 16.00 uur naar de moeder en gaan zij op 26 december niet later dan 12.00 uur weer terug naar de vader.
Oud en Nieuw wordt gevierd bij dienstdoende ouder die week (zie hieronder).
Kerstvakantie:
In de even jaren zijn de kinderen in de eerste week bij vader en de tweede week bij de moeder. De vakantie begint op vrijdag om 17.30 uur en eindigt op zondag om 18.00 uur. Wissel op de middelste zondagochtend niet later dan 11.00 uur.
In de oneven jaren zijn de kinderen in de eerste week bij moeder en de tweede week bij de vader. De vakantie begint op vrijdag om 17.30 uur en eindigt op zondag om 18.00 uur. Wissel op de middelste zondagochtend niet later dan 11.00 uur. Meivakantie
In de even jaren zijn de kinderen in de eerste week bij vader en de tweede week bij de moeder. In de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. De vakantie begint op vrijdag om 17.30 uur en eindigt op zondag om 18.00 uur. Wissel op de middelste zondagochtend niet later dan 11.00 uur. Zomervakantie
Begint op de laatste vrijdag van school om 17.30 uur. De wissel in de zomervakantie is op de zaterdag in het middelste weekend niet later dan 18.00 uur. Het einde van de vakantie is de laatste zondag om 18.00 uur (aldus de zondag voordat de kinderen weer naar school moeten). Even jaren: • Moeder heeft de volledige zorg in de tweede helft (3 weken)
• Vader heeft de volledige zorg in de eerste helft (3 weken)
Oneven jaren: • Vader heeft de volledige zorg in de tweede helft (3 weken)
• Moeder heeft de volledige zorg in de eerste helft (3 weken) Verjaardagen kinderen
De kinderen zijn beiden in de zomervakantie jarig. [minderjarige 2] op [geboortedag 1] en [minderjarige 1] op [geboortedag 2] .
De ouders zullen wederzijds meewerken om de niet dienstdoende ouder in de
gelegenheid te stellen de kinderen op hun kinderverjaardagen te zien of bellen. Kinderen zijn in de zomervakantie jarig en kunnen op vakantie zijn. Als ze op vakantie zijn wordt er in ieder geval gebeld.
Verjaardag wordt gevierd bij welke dienstdoende ouder ze zijn. Verjaardagen ouders • Moeder heeft het recht om met de kinderen uiteten te gaan op haar verjaardag. Mits kinderen niet op vakantie zijn met vader in zijn weken van de zomervakantie. Moeder is op [datum 1] jarig. Indien vader met de kinderen op vakantie is op [datum 1] , dan zal hij de kinderen via FaceTime contact laten hebben met hun moeder.
• Vader heeft het recht om met de kinderen uiteten te gaan op zijn verjaardag. Vader is jarig op [datum 2] . Kinderfeestjes
Even jaren: • Vader organiseert het kinderfeestje van [minderjarige 2] .
• Moeder organiseert het kinderfeestje van [minderjarige 1] .
Oneven jaren: • Moeder organiseert het kinderfeestje van [minderjarige 2]
• Vader organiseert het kinderfeestje van [minderjarige 1] .
De moeder levert op verzoek van de vader de gegevens (telefoonnummers) aan van de ouders van de kinderen die [minderjarige 2] en [minderjarige 1] willen uitnodigen. Studiedagen:
Studiedagen worden in beginsel door de dienstdoende ouder opgevangen. Kinderen mogen ook naar de BSO. Sinterklaas/Pasen
Wordt gevierd bij de dienstdoende ouder. Lange weekenden van Pinsteren en Pasen:
Weekend van dienstdoende ouder wordt verlengd tot maandag 18.00 uur. De vrouw geeft aan dat zij in de toekomst open staat voor een vorm van co-ouderschap, maar dat zij er nog onvoldoende vertrouwen in heeft dat het goed gaat met de man. Er zijn in het verleden veel dingen gebeurd, waardoor het vertrouwen een enorme deuk heeft opgelopen. Ook is er sprake geweest van alcoholmisbruik. Ondanks dat er positieve stappen zijn gezet, waarbij de man sinds kort eigen huisvesting en een baan heeft, heeft de vrouw op dit moment onvoldoende zicht op hoe het met de man gaat. Het is niet duidelijk of de man hulpverlening heeft ingeschakeld voor zijn problematiek en zo ja, wat voor hulp hij dan gekregen heeft. Daarnaast verlopen de communicatie en de samenwerking tussen partijen nog steeds stroef. Dit staat ook in de weg aan een constructieve vorm van co-ouderschap. 3.2 De man heeft zich inhoudelijk niet uitgelaten over het verzoek van de vrouw ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen. Hij heeft zich de rechten voorbehouden hierop alsnog te mogen reageren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat het hoofdverblijf wat hem betreft samenhangt met de zorgregeling. Ten aanzien van de zorgregeling wil de man dat er wordt toegewerkt naar een co-ouderschap, omdat hij meer betrokkenheid wil bij het dagelijks leven van de kinderen.
Verder denkt de man dat het ook goed is voor de kinderen als ze langere tijd bij hem verblijven. Een co-ouderschap, waarbij de kinderen de ene week bij de man verblijven en de andere week bij de vrouw, geeft naar de mening van de man meer rust voor de kinderen doordat er minder wisselingen zijn en meer stabiliteit is. 3.3 De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat een co-ouderschap op dit moment een te grote en snelle stap is. De Raad vindt dat de huidige zorgregeling voorlopig kan worden voortgezet en dat er vanuit hulpverlening gekeken moet worden naar uitbreiding. Bij de bestudering van het dossier heeft de Raad zorgwekkende berichten aangetroffen. De Raad vindt het goed om te horen dat de man zelf ook erkent dat hij die berichten niet had moeten sturen. Dit neemt niet weg dat uit de berichten veel verwijten, wrokgevoelens en wisselende emoties bij de man blijken. De Raad heeft op basis van deze berichten zorgen over de vraag of de man alles wat er in het verleden is gebeurd voldoende heeft verwerkt. Ook geven deze berichten aanleiding voor zorgen over de emotieregulatie van de man. De Raad maakt zich daarnaast zorgen dat dit gedrag van de man mogelijk afstraalt op de kinderen. Ook voor de Raad is niet duidelijk of en zo ja welke hulpverlening de man heeft gehad. De man geeft daarin geen inzage, terwijl openheid hierover belangrijk is voor het herstel van vertrouwen bij de vrouw. Het is belangrijk dat er duidelijkheid komt of de man de scheiding heeft verwerkt, hoe het zit met de emotieregulatie van de man en het alcoholgebruik. Ook het gebrek aan communicatie tussen partijen staat op dit moment aan een co-ouderschap in de weg. Daarin moeten door partijen stappen worden gezet. 3.4 De rechtbank constateert dat de man de zorgen die de vrouw en de Raad hebben, onvoldoende weg heeft genomen doordat hij op geen enkele wijze inzicht geeft in de hulpverlening die hij heeft gehad. Het is voor het herstel van vertrouwen belangrijk om daar meer inzicht in te krijgen. Verder is voor de rechtbank duidelijk dat het de ouders niet lukt samen de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het daarom, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 26 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 3.5 Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 3.6 Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1). 3.7 Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. 3.8 Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen. 3.9 Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 3.10 Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 3.11 Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige kinderen?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige kinderen?
- Welke andere feiten en/omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn wel van belang om te vermelden? 3.12 Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, als het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 3.13 Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 3.14 De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd. 3.15 Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen en de zorgregeling tussen de man en de minderjarige kinderen, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. 3.16 De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de tijdelijke zorgregeling die partijen eerder met elkaar hebben afgesproken voorlopig moet worden voortgezet. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om deze regeling vooruitlopend op het hulpverleningstraject alvast iets uit te breiden, in die zin dat de kinderen ook van zondag op maandag of van dinsdag op woensdag bij hem zullen slapen. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. Duidelijk is dat er sinds enkele weken weer sprake is van een nieuwe situatie bij de man en dus ook bij de kinderen. De man heeft eigen woonruimte en een nieuwe baan. De rechtbank vindt het belangrijk dat iedereen eerst went aan deze nieuwe situatie. Daarnaast is de rechtbank met de Raad van oordeel dat eerst duidelijkheid moet komen over onderwerpen als de verwerking van de scheiding door de man, zijn emotieregulatie en zijn alcoholgebruik. Ook moet er aandacht zijn welk effect dit heeft op de kinderen. Het bovenstaande laat onverlet dat partijen in onderling overleg of in overleg met de hulpverlening op ieder moment een uitbreiding van de tijdelijke regeling overeen kunnen komen, waarbij het belang van de kinderen voorop staat Kinderalimentatie 3.17 De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 400,00 per maand per kind aan kinderalimentatie moet betalen. De man is van mening dat hij een lager bedrag moet betalen. Partijen zijn het tijdens de mondelinge behandeling op vrijwel alle onderdelen van de berekening van de kinderalimentatie eens geworden met elkaar. Alleen op het punt van de zorgkorting hebben partijen geen overeenstemming bereikt, zodat de rechtbank daarop zal beslissen. Ingangsdatum 3.18 Partijen zijn het er over eens dat de ingangsdatum voor de betaling van de (definitieve) kinderalimentatie gelijk moet zijn aan de datum van de beschikking. Uitgangspunten 3.19 Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Behoefte 3.20 Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige kinderen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. Partijen zijn het erover eens dat voor de bepaling van het NGBI uit moet worden gegaan van de inkomens van partijen in 2024. 3.21 Partijen zijn het erover eens dat het NBGI in 2024 moet worden gemaximeerd op € 6.000,00 en dat de behoefte van de kinderen in 2024 kan worden vastgesteld op € 1.470,00. Geïndexeerd naar 2026 betekent dit een behoefte van € 1.638,00 per maand. Draagkracht man 3.22 Partijen zijn het er over eens dat voor de berekening van de draagkracht van de man kan worden uitgegaan van de door de vrouw gemaakte berekening. Daaruit blijkt dat het NBI van de man in 2026 € 4.487,00 per maand is en hij een draagkracht heeft van € 1.243,00 per maand. Draagkracht vrouw 3.23 Partijen zijn het er over eens dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw kan worden uitgegaan van de door de vrouw gemaakte berekening. Daaruit blijkt dat het NBI van de vrouw in 2026 € 4.737,00 per maand is en zij een draagkracht heeft van € 1.365,00 per maand. Draagkrachtvergelijking 3.24 De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen. Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dan dat de vrouw met € 857,00 per maand en de man met € 781,00 per maand moet bijdragen in de kosten van de minderjarige kinderen. Zorgkorting 3.25 De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 25%. De vrouw voert aan dat de zorgkorting op basis van de tijdelijke zorgregeling 15% moet zijn. 3.26 De rechtbank overweegt dat de man op basis van de huidige zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen gemiddeld twee dagen per week de zorg voor de minderjarige kinderen heeft, zodat een zorgkorting geldt van 25%. Nu de behoefte van de minderjarige kinderen € 1.638,00 per maand bedraagt, beloopt de (totale) zorgkorting een bedrag van € 409,50 per maand. Te betalen onderhoudsbijdrage 3.27 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 371,50 per maand. Concreet betekent dit dat de man een bedrag van € 185,75 per maand per kind moet betalen aan de vrouw. Vervangende toestemming 3.28 Partijen hebben toegelicht dat de benodigde documenten door de man zijn ondertekend. De vrouw heeft daarom haar verzoeken tot verlening van vervangende toestemming ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen. 4De beslissing De rechtbank: 4.1. bepaalt dat de man en de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018;
2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020;
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig, totdat partijen anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar zoals is overwogen in rechtsoverweging 3.1. onder het kopje ‘Tijdelijke regeling verdeling zorgtaken’; 4.2. verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder; 4.3. verzoekt het loket om uiterlijk op 15 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen; 4.4. verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad; 4.5. verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten; 4.6. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.11 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren; 4.7. verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen; 4.9. houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling; 4.10. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:
met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 185,75 (honderdvijfentachtig euro en vijfenzeventig eurocent) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in openbaar uitgesproken op 15 juli 2026. Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Productie 26 bij brief van 23 juni 2026. Productie 17 bij brief van 15 juni 2026.