Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7758

Spoedmachtiging uithuisplaatsing

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7758 text/xml public 2026-09-25T15:51:30 2026-08-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-16 C/02/450458 / JE RK 26-1282 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7758 text/html public 2026-09-25T15:50:46 2026-09-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7758 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-07-2026 / C/02/450458 / JE RK 26-1282
Spoedmachtiging uithuisplaatsing
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/450458 / JE RK 26-1282

Datum uitspraak: 16 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] .
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

het mondelinge verzoek van de GI op 16 juli 2026;

de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 oktober 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld tot 10 oktober 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt ten aanzien van de eerste vier weken hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie van de GI ontvangen. Al gedurende langere tijd bestaan er ernstige zorgen over de ontwikkeling, de veiligheid en opvoedsituatie van de minderjarigen. Er zijn zorgen over de basale verzorging, de hygiëne binnen de woning, vermoedelijk middelengebruik van moeder en/of haar partner en de emotionele en fysieke beschikbaarheid van hen. Om de veiligheid van de minderjarigen te waarborgen en verbetering van de opvoedsituatie bij de moeder en haar partner te realiseren is als noodzakelijk voorwaarde een MST-CAN traject ingezet. De moeder en haar partner hebben aanvankelijk hiervoor akkoord gegeven. Echter, op 15 juli jl. hebben zij aangegeven niet meer achter deze vorm van hulpverlening te staan, omdat zij het een te grote inbreuk op hun privacy vinden. De GI heeft verscheidene pogingen ondernomen om de moeder en haar partner bereid te krijgen deze hulpverlening te accepteren, zoals het geven van een schriftelijke aanwijzing, twee huisbezoeken, onderzoek of er rekening kon worden gehouden met de planning van het gezin en telefonisch contact. Heden, op 16 juli 2026, hebben de moeder en haar partner aangegeven dat zij niet hun deelname aan het MST-CAN traject kunnen bevestigen. De MST-CAN therapeuten hebben aangegeven per direct de behandeling te stoppen vanwege het gebrek aan intrinsieke motivatie hiervoor vanuit de moeder en haar partner. Daarmee is de enige intensieve hulpverleningsvorm met nog zicht op de opvoedsituatie en het welzijn van de minderjarigen weggevallen. Vanwege de zomervakantie is er ook geen zicht en dagstructuur vanuit de school voor de minderjarigen. Daarnaast zijn de zorgen van de GI over de veiligheid en het welzijn van de minderjarigen recent toegenomen. Er is sprake van recente informatie die wijzen op een acute verslechtering van de beschikbaarheid van de moeder en haar partner. Tijdens één van de laatste huisbezoeken maakt [minderjarige 2] een onverzorgde indruk en was zij angstig en teruggetrokken. De moeder bleek op meerdere momenten niet goed in staat deel te nemen aan een gesprek met de jeugdbeschermer. De partner van de moeder viel tijdens een gesprek weg en leek in slaap te vallen. De GI heeft ernstige zorgen of de moeder en haar partner in staat zijn adequaat toezicht te houden op de minderjarigen. De partner van de moeder heeft richting de GI heftige uitspraken gedaan als dat ‘de hel zal losbarsten’ en gezien zijn achtergrond is er een risico dat een aangekondigd verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing kan leiden tot escalatie. Ook ten aanzien van de vader bestaan ernstige zorgen. De kinderen hebben sinds kort begeleid contact met hem. De vader is bekend met middelengebruik en heeft eerder aangegeven dat hij niet voor zichzelf instaat als de minderjarigen elders worden geplaatst. De GI ziet daarom een reëel risico op onttrekking aan toezicht van de minderjarigen en dreigende reacties van betrokken volwassenen. De GI heeft daarom ook besloten tot een geheime plaatsing van de minderjarigen, na verkrijging van de verzochte machtiging.
4.2.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij uit huis worden geplaatst.
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat er ernstige zorgen zijn over hun veiligheid en het welzijn en het gebrek aan beschikbaarheid en toezicht op hun vanuit de moeder en haar partner.
4.4.
Daarom zal de kinderrechter de GI machtigen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken. De kinderechter zal een brede machtiging verlenen, omdat op het moment van het verzoek nog niet bekend was waar de minderjarigen terecht konden. De behandeling van het verdere verzoek zal de kinderrechter aanhouden tot de hierna te noemen zitting.
4.5.
De kinderrechter zal zijn toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.6.
De moeder, de vader en de GI worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te vermelden zitting. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De kinderrechter zal de griffier van de rechtbank verzoeken om beide minderjarigen op te roepen voor een kindgesprek.
<nr>5</nr>De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening of een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 juli 2026 tot 30 juli 2026;
5.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de moeder, de vader en de GI op voor de zitting op [datum] 2026 om [uur] (bij kinderrechter: mr. Maandag) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;
5.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor de zitting van de moeder, de vader en de GI;
5.6.
verzoekt de griffier [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te nodigen voor een kindgesprek.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel delen