ECLI:NL:RBZWB:2026:7775text/xmlpublic2026-09-25T15:48:312026-08-16Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-16C/02/444122 / JE RK 26-90UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLMiddelburgCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7775text/htmlpublic2026-09-23T11:40:482026-09-25Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7775 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-07-2026 / C/02/444122 / JE RK 26-90 Verlenging muhp huidige pleeggezin
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444122 / JE RK 26-90
Datum uitspraak: 16 juli 2026 (nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI, over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. van Steenbergen uit Terneuzen. DHR. [pleegouder 1] EN DHR. [pleegouder 2]
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 12 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken; de briefrapportage van de GI met bijlagen van 29 mei 2026, ingekomen op 1 juni 2026; de brief met bijlagen van mr. Van Steenberge, ontvangen op 15 juli 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat; de pleegouders; een vertegenwoordigster van de GI. 2De feiten2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van 6 december 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld
van de GI met ingang van 6 december 2024 en tot 20 december 2024. Tevens is voor deze
periode een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg
verleend. De verzoeken zijn voor het overige deel aangehouden. 2.3. Bij beschikking van 17 december 2024 is het resterende deel van het verzoek tot
de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toegewezen met ingang van 20 december
2024 en tot 6 maart 2025. Tevens is bij dezelfde beschikking de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 20
december 2024 en tot 6 maart 2025. 2.4. Bij beschikking van 21 februari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 februari 2025 en tot 21 februari 2026. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 12 februari 2026 verlengd, met ingang van 21 februari 2026 en tot 21 februari 2027. 2.5. Bij beschikking van 21 februari 2025 is eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 21 februari 2025 en tot 21 augustus 2025. Deze machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 12 februari 2026, met ingang van 21 februari 2026 en tot 21 juli 2026 onder aanhouding van het resterende deel van dit verzoek. 2.6.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging in een pleeggezin. 3Het verzoek3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten met ingang van 21 juli 2026 en tot 21 februari 2027. 4De standpunten4.1. De GI geeft aan dat de moeder positieve stappen maakt samen met haar hulpverlening. Zo is zij rustiger in het contact en probeert waar dit lukt voor haar, adviezen op te volgen. Ondanks de positieve stappen die de moeder maakt, zijn er ook nog grote zorgen in de opvoedvaardigheden van de moeder. [hulpverlening] begeleidt de bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] welke tweewekelijks plaatsvinden. In deze bezoeken wordt gezien dat de moeder regelmatig de aansluiting mist en weinig tot geen emotionele veiligheid biedt aan [minderjarige] . Zo probeert de moeder veel volwassen zaken te bespreken met [minderjarige] . De moeder is van mening dat [minderjarige] weer bij de moeder kan en komt wonen en is het niet eens met het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders. De moeder uit zich negatief tegen [minderjarige] over de pleegouders en stelt veel vragen over haar leven daar. Dit blijft een zorg voor deGI.De GI bespreekt de bezoekmomenten telkens uitgebreid voor met de moeder. Dit blijft ook nodig om de bezoekmomenten goed te laten verlopen. Wanneer dit niet gebeurt, verlopen de bezoekmomenten namelijk chaotisch en richt de moeder zich vooral op het bespreken van haar zorgen met [minderjarige] . De laatste twee bezoekmomenten zijn echter beter verlopen dan de keren daarvoor. Nu de moeder aangeeft dat zij misschien nog wat concretere aanwijzingen of begeleiding hierin nodig heeft, zal de GI kijken wat daarin mogelijk is.
Daarnaast blijven er zorgen over het inzicht dat de moeder heeft in de ontwikkeling van [minderjarige] , en er zijn zorgen of de moeder zich kan inleven in de emoties van [minderjarige] en of de moeder aan haar behoeftes kan voldoen. De GI maakt zich zorgen dat de moeder het moeilijk vindt om de adviezen toe te passen en veel herhaling nodig heeft.
Daarnaast maakt de GI zich zorgen over moeders vermogen om consequent en voorspelbaar te zijn tijdens de omgang met [minderjarige] . Ondanks dat de moeder probeert te letten op de veiligheid van [minderjarige] tijdens de bezoekmomenten, treden er met enige regelmaat onveilige situaties op tijdens de bezoeken.
De GI van mening dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk is. Daar komt bij dat de GI inmiddels een perspectiefbesluit heeft genomen en heeft besloten dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. De mogelijkheden van oma moederszijde in het perspectief van [minderjarige] worden door de GI nog onderzocht. Dit kan variëren van een dagje uit, of een weekend bij oma verblijven of een rol voor oma als pleegmoeder. Hierbij moet nog worden bezien wat in het belang van [minderjarige] is. 4.2. Namens en door de moeder wordt primair verzocht om het resterende deel van het verzoek van de GI af te wijzen. Subsidiair kan zij instemmen met het resterende deel van het verzoek als de hechtingsbehoefte van [minderjarige] onderzocht wordt en er opvoedondersteuning bij de moeder wordt ingezet. Ook moeten dan voor de toekomst van [minderjarige] alle relevante opties, zoals oma, meegenomen worden. In het perspectiefbesluit is geen rekening gehouden met oma als optie. De moeder heeft het liefst dat [minderjarige] naar huis komt bij haar, maar als dat niet lukt is oma wellicht een goede optie. De moeder vindt het van groot belang dat deze optie de komende periode goed onderzocht wordt. Oma is inmiddels positief gescreend, dus de moeder wil dat hier meer vaart mee wordt gemaakt. De moeder vindt daarnaast dat zij onvoldoende geïnformeerd en betrokken wordt bij beslissingen en ontwikkelingen rondom [minderjarige] . Zij aanvaardt ook alle hulp om de contacten met [minderjarige] zo goed mogelijk te laten verlopen. Er wordt gesteld dat moeder niet leerbaar is, maar er is vanuit [hulpverlening] nog enkel bezoekbegeleiding ingezet. Misschien is er wel meer hulp mogelijk De laatste twee bezoeken zijn overigens beter verlopen. De moeder zegt zelf dat dit komt omdat het kwartje bij haar gevallen is, zij weet nu beter hoe ze met de vragen van [minderjarige] om moet gaan tijdens de contactmomenten. Verder blijft de moeder erbij dat [minderjarige] en zij elkaar gewoon heel erg missen. De moeder ziet hierin de verklaring voor het gedrag van [minderjarige] na de omgangsmomenten. 4.3. De pleegouders staan achter het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen. Ze geven daarbij nogmaals uitdrukkelijk aan dat er naar [minderjarige] gekeken wordt. Zij ervaren dat de contacten tussen de moeder en [minderjarige] een zeer grote en negatieve impact op [minderjarige] hebben. De pleegouders vinden de bezoeken van [minderjarige] en de moeder (te) belastend voor haar en de frequentie te hoog, omdat er hierdoor weinig ruimte is voor rust en ontspanning voor [minderjarige] . 5De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.2. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een verlenging van de uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen toewijzen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.4. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Uit de overgelegde stukken en hetgeen daarover is gezegd, blijkt dat de GI inmiddels heeft besloten dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. De kinderrechter begrijpt dat de moeder dit moeilijk vindt en het liefst zou hebben dat [minderjarige] bij haar thuis opgroeit, maar ziet ook dat de veiligheid en opvoeding en verzorging van [minderjarige] door de moeder onvoldoende kunnen worden geborgd. De moeder werkt hard aan zichzelf en er is sprake van positieve ontwikkelingen, maar haar situatie is niet voldoende stabiel en er zijn nog steeds zorgen over de vraag of de moeder [minderjarige] kan bieden wat zij nodig heeft en voldoende op de behoeften van [minderjarige] kan inspelen. Dit wordt onder meer gezien tijdens de bezoekmomenten. Het lukt de moeder niet altijd om goed in te spelen op de behoeften en vragen van [minderjarige] en hierdoor verlopen de bezoeken niet altijd goed. De moeder heeft hierin veel sturing van de begeleiding van [hulpverlening] nodig. Zij aanvaardt die begeleiding en adviezen wel en past ze ook toe, maar de vraag is of zij voldoende leerbaar is om ook zelf op de behoeftes van [minderjarige] in te kunnen spelen en aan te voelen wat wel of niet goed voor haar is. Met name de pleegouders hebben hier zorgen over. Zij zien in hun thuissituatie dat de contacten met de moeder veel spanningen voor [minderjarige] opleveren en een grote en negatieve impact op het gedrag van [minderjarige] hebben. De pleegouders vinden de bezoeken van [minderjarige] en de moeder te belastend voor haar en zijn hier bezorgd over. De zorgen die door de pleegouders worden geuit worden door de GI echter niet geheel (h)erkend, maar ook niet ontkracht. De GI geeft aan dat de school de signalen die de pleegouders bij [minderjarige] zien na de contacten niet herkent. Ook in de speltherapie wordt dit gedrag niet gezien en is tot nu toe niet helder geworden waar het gedrag dat de pleegouders zien vandaan komt en hoe dit geduid moet worden. In het dossier ontbreken de bezoekverslagen, waar al eerder om is verzocht. De kinderrechter verwacht van de GI dat deze verslagen bij een eventueel volgend verzoek wel meegestuurd worden. De bezoekverslagen zijn onder meer van belang voor het verkrijgen van de duidelijkheid over het gedrag van [minderjarige] . Daarbij vindt de kinderrechter het van belang dat de GI alsnog nader onderzoekt hoe het zit met het gedrag dat de pleegouders bij [minderjarige] zien, maar school en de speltherapeut en de GI niet helemaal zeggen te herkennen. De kinderrechter acht het van belang dat de GI onderzoekt waar dit nu vandaan komt, hoe dit geduid moet worden en hoe eventuele spanningen zoveel mogelijk bij [minderjarige] weggenomen kunnen worden, zodat kan worden ingezet op verbetering van het verloop van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder. 5.5. De GI, de moeder en de pleegouders zijn het er over eens dat de laatste twee bezoekmomenten wel goed verlopen zijn. De moeder heeft op de vraag hoe dat komt, laten weten dat bij haar het kwartje is gevallen. Zij zegt nu te begrijpen dat er volwassen zaken zijn die niet met [minderjarige] besproken kunnen worden, omdat [minderjarige] zich dan zorgen gaat maken. De moeder heeft aangegeven ook anders om te gaan met dingen die [minderjarige] zelf aangeeft. De pleegouders zien dat [minderjarige] ook minder last heeft van de bezoeken wanneer deze goed verlopen. De kinderrechter stelt voorop dat, zoals in de eerdere beschikkingen ook is overwogen, [minderjarige] en de moeder recht hebben op contact met elkaar. De kinderrechter vindt het wel van belang dat de contacten aansluiten bij [minderjarige] en zo positief mogelijk verlopen. De kinderrechter acht het daarom van belang dat de begeleiding die de moeder krijgt van [hulpverlening] om de bezoeken zo goed mogelijk te laten verlopen wordt voortgezet en zo mogelijk wordt geïntensiveerd. Het is van groot belang dat de moeder goed weet wat wel en niet van haar wordt verwacht en wat zij kan doen om de contacten voor [minderjarige] zo goed mogelijk te laten verlopen. Het is belangrijk dat zij hier zo goed mogelijk in ondersteund wordt en de instructies en adviezen die zij krijgt blijft opvolgen.Er zal ook gekeken moeten gaan worden naar de hechtingsbehoefte van [minderjarige] en in hoeverre de moeder daarin kan voorzien. Ook moet gekeken worden in hoeverre de moeder leerbaar is en of voor de moeder nog meer hulp hierop ingezet kan worden. 5.6. De kinderrechter is ook, met de GI en de moeder, van oordeel dat de mogelijkheden van oma moederszijde in het perspectief van [minderjarige] door de GI verder in kaart moeten worden gebracht. Nu oma positief gescreend is, moet worden onderzocht wat zij kan betekenen in het perspectief van [minderjarige] . Dit kan, zo stelt de GI, variëren van een dagje uit, of een weekend bij oma verblijven of een rol als (deeltijd)-pleegmoeder. De kinderrechter is met de belanghebbenden van oordeel dat hier zo snel mogelijkheid meer duidelijkheid over moet komen en dat het belang van [minderjarige] daarbij voorop moet staan. 5.7. De kinderrechter wijst op grond van het vorenstaande het resterende deel van het verzoek van de GI toe, voor nu met dien verstande dat de machtiging geldt voor het huidige pleeggezin van [minderjarige] . Uitvoerbaar bij voorraad 5.8. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, bij de huidige pleegouders, met ingang van 21 juli 2026 en tot 21 februari 2027; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.