Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7784

Kort geding. Uitsluitend gebruik woning in eigendom van andere partner bij samenwoners. Toevertrouwing kinderen en voorlopige zorgregeling. Onderzoek Raad voor de Kinderbescherming.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7784 text/xml public 2026-09-28T13:59:01 2026-08-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-17 C/02/448792 / KG ZA 26-284 Uitspraak Kort geding Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7784 text/html public 2026-09-24T08:48:31 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7784 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2026 / C/02/448792 / KG ZA 26-284
Kort geding. Uitsluitend gebruik woning in eigendom van andere partner bij samenwoners. Toevertrouwing kinderen en voorlopige zorgregeling. Onderzoek Raad voor de Kinderbescherming.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/448792 / KG ZA 26-284

Vonnis in kort geding van 17 juli 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende in [plaats 1], maar feitelijk verblijvende in [plaats 2],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. A. Sangar,

tegen

[de man] ,

wonende in [plaats 1],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers.

1 Het procesverloop

1.1 De voorzieningenrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de op 8 juni 2026 uitgebrachte dagvaarding met producties 1 en 2;

- de op 29 juni 2026 ingediende producties 1 tot en met 15d aan de zijde van de man;

- de op 30 juni 2026 ingediende conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;

- de door mr. Schoenmakers op 1 juni 2026 ingediende producties 16 tot en met 18.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 2 juli 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.

1.3 Door mr. Sangar zijn op 2 juli 2026 de bijlagen 3 tot en met 12 ingediend. De man heeft op de zitting bezwaar gemaakt tegen de indiening daarvan. Hij stelt dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde, omdat het een groot aantal bijlagen betreft en hij niet in de gelegenheid is geweest deze bijlagen goed te bestuderen en te bespreken met zijn advocaat. Volgens hem hadden de bijlagen ook in een eerder stadium kunnen worden ingediend.

1.4 De vrouw geeft aan dat de bijlagen een reactie zijn op de ingediende conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. De vrouw heeft pas laat kennis kunnen nemen van het processtuk van de man, waardoor het niet mogelijk was de bijlagen eerder in te dienen. Daarnaast betreffen de bijlagen met name e-mailberichten, waarvan de inhoud bij de man en zijn advocaat bekend zijn.

1.5 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Bij de beoordeling van het geuite bezwaar wordt getoetst aan artikel 3.16 van het procesreglement. In dit artikel is opgenomen dat processtukken die binnen 24 uur vóór de zitting worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. De bijlagen waartegen het bezwaar is gericht, zijn ingediend om en nabij twee uur voorafgaand aan de zitting. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit in strijd met de goede procesorde, omdat de man in een uitermate laat stadium van de procedure is geconfronteerd met deze stukken. De bijlagen 3 tot en met 12 zullen dan ook niet worden betrokken in de beoordeling en maken geen onderdeel uit van het procesdossier.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen hebben een relatie met elkaar gehad en samengewoond in de woning aan [adres] in [plaats 1];

- de woning behoort in eigendom toe aan de man;

- tijdens de relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats],

2. [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats], en

3. [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2025 in [geboorteplaats];

- de man heeft de kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
<nr>3</nr>Het geschil in conventie en reconventie
In conventie
3.1
De vrouw vordert in conventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te bevelen om de woning gelegen aan [adres] in [plaats 1] binnen 24 uur na dit vonnis te verlaten en deze zonder toestemming van de vrouw niet meer te betreden, waarbij zij samen met de kinderen met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedel;

II. de man te bevelen om de in zijn bezit zijnde sleutels van de woning binnen 24 uur na dit vonnis af te geven aan haar;

III. aan de veroordeling onder I. en II. een dwangsom te verbinden van € 250,= voor iedere dag dat de man in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen tot een maximum van € 25.000,=;

IV. de kosten van deze procedure tussen partijen te compenseren.
3.2
Voor de onderbouwing van haar vorderingen geeft de vrouw aan dat zij tijdens een vakantie met de man en de kinderen in Spanje door de man is mishandeld. Zij heeft aangifte gedaan en door de Spaanse autoriteiten is een beschermingsmaatregel getroffen, waarbij de man onder meer een contactverbod heeft gekregen en hem is verboden om zich binnen een straal van 300 meter van de vrouw te bevinden. Inmiddels is de vrouw met de kinderen teruggekeerd naar Nederland en verblijft noodgedwongen bij haar vader in [plaats 2]. Dit is geen wenselijke situatie. Weliswaar is de woning aan [adres] in [plaats 1] eigendom van de man, maar volgens de vrouw is er sprake van een uitzonderlijke situatie en is het in het belang van haar en de kinderen om voorlopig uitsluitend in de woning te kunnen verblijven. De man heeft voldoende mogelijkheden om tijdelijk ergens anders te verblijven.
3.3
De man voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat partijen niet getrouwd zijn en geen geregistreerde partners, waardoor de wettelijke bepalingen waarmee het gebruik van een woning aan één van partijen kan worden toegewezen niet toepasbaar zijn. De woning is uitsluitend eigendom van de man. De vordering van de vrouw om de man uit zijn eigen woning te zetten is ingrijpend, feitelijk onomkeerbaar en raakt zijn eigendomsrecht. Daarnaast is de man van mening dat het benodigde spoedeisende belang ontbreekt, omdat onduidelijk is wanneer de vrouw terugkeert naar Nederland. Bovendien heeft de man groot belang bij het gebruik van de woning omdat zijn bedrijf, met de voor de bedrijfsvoering benodigde apparatuur, in de woning is gevestigd, zijn twee dochters uit een eerdere relatie regelmatig bij hem in de woning verblijven en hij toevertrouwing van de kinderen van partijen aan hem vordert.

In reconventie
3.4
De man vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. toevertrouwing van de kinderen aan de man voor de duur van de bodemprocedure en hem te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen;

b. veroordeling van de vrouw tot afgifte aan de man van de identiteitskaarten van de kinderen;

c. veroordeling van de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,= per dag dat de vrouw niet aan de uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet totdat een maximum is bereikt van € 50.000,=;

d. geheel subsidiair vaststelling van een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen.

Op de zitting heeft de man zijn vordering om de vrouw te veroordelen om met de kinderen naar [plaats 1] terug te keren ingetrokken. Deze vordering behoeft daarom niet verder te worden besproken.
3.5
Voor de onderbouwing van zijn vorderingen in reconventie voert de man aan dat hij zich grote zorgen maakt om het welzijn van de vrouw. Zij kampt met psychische problematiek, waarvoor zij onder behandeling is bij GGZ en medicijnen gebruikt. In de afgelopen maanden is de zorg voor de kinderen door de vrouw zorgelijk geweest. Inmiddels is Veilig Thuis betrokken geraakt, maar vooralsnog is er geen zicht op de inzet van hulpverlening. Het is in het belang van de kinderen dat zij aan de man worden toevertrouwd, omdat hij feitelijk ook altijd de zorg voor de kinderen heeft gedragen. Als de kinderen aan de man worden toevertrouwd, vordert hij ook om de vrouw te veroordelen de identiteitskaarten van de kinderen aan hem te geven. Voor het geval de vordering van de man om toevertrouwing van de kinderen aan hem wordt afgewezen, vordert hij vaststelling van een voorlopige zorgregeling. Hij geeft aan dat de vrouw niet meewerkt om contact tussen hem en de kinderen tot stand te brengen.
3.6
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Volgens haar heeft zij tijdens de relatie van partijen altijd de zorg voor de kinderen gehad, omdat de man veel werkte. Ook nu zorgt zij alleen voor de kinderen. Zij betwist dan ook dat zij niet in staat zou zijn om voor de kinderen te zorgen. Daarnaast kampt de man met de nodige problematiek, onder andere in de vorm van middelengebruik. Zij verwijst ook naar de beschikking van 11 februari 2026 die door de man is overgelegd, waarin zorgen worden geuit over de twee kinderen van de man uit een eerdere relatie. De vrouw staat wel degelijk open voor contact tussen de man en de kinderen en heeft in dat kader ook enkele voorstellen gedaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
In conventie
4.1
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gelet op de stellingen van de vrouw in de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de zitting, is voldoende duidelijk geworden dat zij niet langer samen in de woning kunnen blijven wonen. De vrouw heeft dan ook spoedeisend belang bij haar vorderingen.
4.2
Vast staat dat de woning aan [adres] in [plaats 1] volledig in eigendom toebehoort aan de man. Op grond van artikel 5:1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de man als eigenaar het meest omvattende recht op de woning. De vrouw heeft niet een wettelijke grondslag gegeven op grond waarvan inbreuk kan worden gemaakt op dit eigendomsrecht. Dit betekent dat de vordering van de vrouw moet worden afgewezen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de man daarnaast ook een voldoende belang heeft gesteld bij het gebruik van de woning door hem. Onbetwist is gesteld dat de woning het vestigingsadres is van zijn bedrijf en dat zijn dochters uit een eerdere relatie ([naam 1] en [naam 2]) op grond van een vastgestelde zorgregeling regelmatig in de woning verblijven.

In reconventie
4.3
In reconventie ligt de vraag voor of de kinderen voorlopig moeten worden toevertrouwd aan de man.
4.4
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vast staat dat de kinderen inmiddels een aantal weken bij de vrouw zijn. De man geeft aan zich grote zorgen te maken over het welzijn van de vrouw en haar zorg voor de kinderen, maar deze zorgen worden door de vrouw gemotiveerd betwist. Daarnaast heeft de man in april 2026 de keuze gemaakt om alleen vanuit Spanje naar Nederland te vertrekken en de kinderen bij de vrouw achter te laten. Ook heeft hij zelf pas voor het eerst toevertrouwing van de kinderen gevorderd op het moment dat de vrouw een vordering indiende over het uitsluitend gebruik van de woning. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de man geen spoedeisend belang heeft bij wijziging van de huidige situatie waarin de kinderen bij de vrouw verblijven. Dit leidt er toe dat de vordering van de man om toevertrouwing van de kinderen aan hem wordt afgewezen. Ook de vordering die ziet op de identiteitsbewijzen van de kinderen en de dwangsom worden afgewezen, omdat deze vorderingen samenhangen met de toevertrouwing.
4.5
Omdat de vordering tot toevertrouwing van de kinderen aan de man wordt afgewezen, komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de door de man gevorderde voorlopige zorgregeling. Voor een goede en evenwichtige ontwikkeling van de kinderen is het belangrijk dat zij met hun beide ouders contact hebben. Partijen dragen als ouders van de kinderen beiden de verantwoordelijkheid om dit voor de kinderen mogelijk te maken. Vast staat dat het contact tussen de man en de kinderen erg beperkt is. De vrouw heeft voorstellen gedaan over de contacten, maar de man vindt deze voorstellen te summier. Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat de spoedeisendheid van de vordering in beginsel is gegeven, maar zij acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om te kunnen vaststellen welke contactregeling in het belang van de kinderen is. De voorzieningenrechter maakt zich zorgen over de kinderen. Zij hebben in de afgelopen periode het nodige meegemaakt en het kan niet anders dan dat zij last hebben van de ontstane situatie tussen hun ouders. Het is dan ook erg belangrijk om zicht te krijgen op hun behoeften. Dit betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) nodig is. De Raad zal daarom worden gevraagd onderzoek te doen naar de volgende vragen:

- welke zorgregeling door partijen komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?

- welke andere feiten en/of omstandigheden zijn van belang om te vermelden?

Het rapport van de Raad is bedoeld om tot advies te dienen in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/448662 / FA RK 26-2746.
4.6
Zoals hiervoor overwogen zal de voorzieningenrechter nu geen tijdelijke contactregeling vaststellen omdat zij onvoldoende geïnformeerd is over de belangen van de kinderen. In afwachting van het onderzoek en de behandeling van de bodemprocedure verlangt de voorzieningenrechter wel van partijen dat zij hun ouderlijke verantwoordelijkheid nemen en tijdelijke afspraken te maken over het contact tussen de man en de kinderen. Zij kunnen hierin begeleid worden, aangezien op de zitting is gebleken dat het gezin inmiddels in beeld is bij Veilig Thuis en dat er ook contact is (geweest) met het Centrum voor Jeugd en Gezin. De voorzieningenrechter verwacht dat met deze begeleiding partijen tot een voorlopige contactregeling zullen komen die passend is bij de huidige situatie en aangepast kan worden als zich daarin wijzigingen voordoen. Gelet op het bovenstaande wijst de voorzieningenrechter de vordering van de man tot vaststelling van een voorlopige zorgregeling af.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda om voor de bodemprocedure met zaaknummer C/02/448662 / FA RK 26-2746 een onderzoek te verrichten en vervolgens een rapport en advies uit te brengen voor de beantwoording van de onder rechtsoverweging 4.5. genoemde vragen;
5.2
wijst de vorderingen van de vrouw in conventie af;
5.3
wijst de (voorwaardelijke) vorderingen van de man in reconventie af;
5.4
compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gegeven door mr. Meyboom, voorzieningenrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Artikel delen