Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7793

Verzoeken gezag, HV en omgang aangehouden nu situatie sinds indiening verzoek compleet gewijzigd is en perspectief van de minderjarige onduidelijk is.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7793 text/xml public 2026-09-28T14:55:03 2026-08-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-17 C/02/446173 FA RK 26/1402 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7793 text/html public 2026-09-24T09:27:08 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7793 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2026 / C/02/446173 FA RK 26/1402
Verzoeken gezag, HV en omgang aangehouden nu situatie sinds indiening verzoek compleet gewijzigd is en perspectief van de minderjarige onduidelijk is.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/446173 FA RK 26/1402

datum uitspraak: 17 juli 2026

beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf en omgangsregeling

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vader/man,

advocaat mr. M. Hofland,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de moeder/vrouw,

advocaat mr. M.J.E.M. Edelmann.

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,

Locatie: Etten-Leur ,

hierna te noemen: de GI.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 18 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 22 mei 2026 ontvangen verweerschrift;

- de brief van mr. Hofland van 3 juli 2026 met bijlagen.

1.2 De zaak is, gelijktijdig met de zaak met procedurenummer C/02/447489 JE RK 26/708, behandeld op de mondelinge behandeling van 7 juli. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad en twee vertegenwoordigsters namens de GI.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024.

- Genoemd kind is door de man erkend.

- De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige.
2.2
Beide partijen hebben een verslavingsachtergrond.
2.3
[minderjarige] is op 20 februari 2024 onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is steeds verlengd, laatstelijk tot 20 februari 2027.
2.4
[minderjarige] woonde tot 16 januari 2026 met haar moeder bij opa (mz). Sinds 12 maart 2026 heeft zij samen met haar moeder verbleven in het Moeder-Kindhuis “[moeder-kindhuis]” te [plaats].
2.5
[minderjarige] heeft vanaf februari 2026 omgang met haar vader op elke woensdag van 10.30 uur tot 18.45 uur en eenmaal per twee weken op zondag van 10.30 -18.45 uur of zaterdag van 16.00 uur tot zondag 18.45 uur.
2.6
Vanaf het moment dat moeder en [minderjarige] in het Moeder-Kindhuis verbleven is de contactregeling met vader aangepast zodat er meer zicht kon komen op de verhouding tussen moeder en kind. De contactregeling was vanaf dat moment: elke woensdag vanaf 10.00 uur tot donderdagmiddag 16.00 uur en één keer per twee weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur.
2.7
Op 10 juni 2026 is er een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag verleend tot 24 juni 2026. Dit vanwege een terugval in middelengebruik door de moeder en het Moeder-Kindhuis de plaatsing vanwege die reden direct heeft beëindigd. Op 18 juni 2026 is een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de ouder zonder gezag tot 18 december 2026.
2.8
Sinds 10 juni 2026 verblijft [minderjarige] fulltime bij vader. Op dinsdag en vrijdag is er onder begeleiding contact tussen moeder en [minderjarige] op het kantoor van de GI gedurende een uur.
<nr>3</nr>De verzoeken 3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige];

te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] met ingang van 10 juni 2026 bij hem zal zijn.

de beschikking van 10 december 2024 te wijzigen en te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar zoals omschreven in de punten 17 (verblijf moeder en [minderjarige] in Moeder-Kindhuis) en 22 en 23 (zelfstandig wonen van de moeder):

Week 1:

van maandag 9.00 uur tot woensdag 19.00 uur: [minderjarige] verblijft bij vader

van woensdag 19.00 uur tot vrijdag 9.00 uur: [minderjarige] verblijft bij moeder

weekend bij vader van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur

Week 2:

van maandag 9.00 uur tot woensdag 19.00 uur: [minderjarige] verblijft bij moeder

van woensdag 19.00 uur tot vrijdag 9.00 uur: [minderjarige] verblijft bij vader

weekend bij moeder van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur.

Vakantieregeling:

- De man verzoekt voorts zolang [minderjarige] niet naar school gaat dat hij recht heeft op twee keer een week vakantie met [minderjarige], in onderling over te bepalen en vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, dienen partijen de schoolvakanties en feestdagen bij helfte te verdelen, bij vakanties van twee weken de eerste of de tweede week van de vakantie en bij vakanties van één week de eerste of tweede helft van de vakantie. Tevens dienen partijen alle feestdagen te verdelen en jaarlijks te wisselen.
3.2
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht tot afwijzing van de verzoeken van de man.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1
Geconstateerd is dat de situatie zoals die was ten tijde van het aanhangig maken van de procedure en ten tijde van de zitting volledig is veranderd. Daar waar [minderjarige] eerst bij moeder verbleef, verblijft zij sinds 10 juni 2026 volledig bij de vader. Ten tijde van de zitting was de moeder de dag ervoor uit de kliniek gekomen. De komende periode zal de moeder behandelingen ondergaan, die het nodige van haar zullen vergen. Bij de vader is in eerste instantie de hulp opgeschaald (ambulante spoedzorg, SMO, [hulpverlening 1], [hulpverlening 2]), waarvan sommige nu weer worden afgebouwd. Er zijn van de zijde van vader positieve evaluaties ingebracht in de procedure.
4.2
Ter zitting zijn de standpunten van partijen uitvoerig besproken. De GI heeft ter zitting verzocht om de verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en het hoofdverblijf aan te houden. Op 29 september 2026 staat een evaluatie gepland. Dan wordt de situatie van moeder en van vader geëvalueerd en de bedoeling is om dan ook het perspectief van [minderjarige] te bepalen. Op dit moment is er nog veel onduidelijk hoe de huidige situatie zich zal ontwikkelen, ook omdat deze pas sinds kort is ingetreden. Het verzoek tot gezamenlijk gezag en hoofdverblijf hangen samen met het perspectief van [minderjarige]. Indien het perspectief van [minderjarige] bij vader komt te liggen, dan ligt het voor de hand dat hij ook belast wordt met het ouderlijk gezag en het hoofdverblijf bij hem wordt bepaald. Waarbij wel de kanttekening moet worden gemaakt dat ten aanzien van het gezamenlijk gezag nog wel wat hobbels te nemen zijn, nu de communicatie tussen partijen zeer slecht is en de basis ontbreekt die nodig is om het gezamenlijk gezag uit te kunnen oefenen. Op dit moment is het ook onduidelijk welke stappen partijen hierin met hulpverlening kunnen zetten.
4.3
Op basis van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde constateert de rechtbank dat momenteel sprake is van een zeer prille, precaire fragiele situatie, waarbij de rollen van ouders ineens volledig zijn omgedraaid. Naar het oordeel van de rechtbank is het nu van belang dat moeder (verder) stabiliseert en dat vader stabiel weet te blijven en de GI dit nauwlettend monitort. Ten aanzien van de verzoeken van de zijde van vader tot gezamenlijk gezag en het hoofdverblijf is het van belang dat eerst het perspectief wordt bepaald. Met name nu de huidige situatie pas sinds 10 juni 2026 van kracht is en deze zoals eerder genoemd precair is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nu een definitieve beslissing te nemen op deze verzoeken. Eerst dient bekeken te worden hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen, waarbij de evaluatie op 29 september 2026 belangrijk zal zijn en waarbij het de bedoeling is om het perspectief van [minderjarige] te bepalen. De rechtbank zal de verzoeken aanhouden tot 23 oktober 2026 en verzoekt de advocaten van partijen en de GI uiterlijk op 16 oktober 2026 verslag te doen van de stand van zaken en het gewenste verdere verloop van de procedure.
4.4
Hoewel het verzoek ten aanzien van het hoofdverblijf wordt aangehouden, is de rechtbank wel van mening dat vader geholpen moet worden om [minderjarige] in ieder geval in haar basisbehoeften, zoals kleding en voeding, te kunnen voorzien. Vader staat onder bewind en de kosten van [minderjarige] drukken op hem. Moeder ontvangt de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Ter zitting is besproken dat er overleg noodzakelijk is, eventueel met hulp van de GI, om vader te helpen om de kosten van [minderjarige] te kunnen dragen.
4.5
Het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling zal de rechtbank eveneens aanhouden, gelet op de hierboven beschreven situatie en het perspectief van [minderjarige] nog niet duidelijk is. Nu [minderjarige] fulltime bij de vader verblijft, heeft de GI een zorgregeling voorgesteld tussen [minderjarige] en de moeder, waarmee partijen ter zitting hebben ingestemd. Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] en de moeder iedere woensdag van 10.00 uur tot 18.00 uur contact hebben met elkaar en eenmaal per veertien dagen van zaterdag tot zondag, bij opa en oma (mz). De GI zal [persoon] van [hulpverlening 2] benaderen of zij op de woensdag aan kan sluiten bij moeder en opa en oma (mz) om de contactmomenten te monitoren en begeleiden waar nodig. Dit omdat er zowel bij vader als de GI twijfels bestaan of de aanwezigheid van oma (mz) in combinatie met moeder in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank benadrukt dat de regie over de zorgregeling bij de GI blijft liggen nu nog steeds sprake is van een ondertoezichtstelling.
4.6
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
<nr>5</nr>De beslissing
De kinderrechter:
5.1
houdt aan de beslissing op de volgende verzoeken:

gezamenlijk gezag;

hoofdverblijf;

omgangsregeling,

tot 23 oktober 2026 PRO FORMA;
5.2
verzoekt de advocaten van partijen en de GI uiterlijk op 16 oktober 2026 te informeren over de stand van zaken en het verdere gewenste verloop van de procedure;
5.3
houdt zich iedere verder beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, (kinder)rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Artikel delen