ECLI:NL:RBZWB:2026:7795text/xmlpublic2026-09-28T13:55:032026-08-17Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-17C/02/450080 / JE RK 26-1204UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLMiddelburgCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7795text/htmlpublic2026-09-28T13:54:562026-09-28Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7795 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2026 / C/02/450080 / JE RK 26-1204 Nadere spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/450080 / JE RK 26-1204
Datum uitspraak: 17 juli 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI, over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets te Terneuzen,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] . 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 8 juli 2026 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader; een vertegenwoordigster van de GI. 2De feiten2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van 6 februari 2026 is [minderjarige] met spoed en zonder voorafgaand
verhoor van de belanghebbenden voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 6 februari
2026 en tot 20 februari 2026. Ook heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om
[minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met
ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026. Deze maatregelen zijn daarna verlengd
bij beschikking van 9 februari 2026 met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026. 2.3. Bij beschikking van 1 mei 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 1 mei 2026 en tot 1 mei 2027. Hiernaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 mei 2026 en tot 1 november 2026. 2.4. Bij beschikking van 8 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 8 juli 2026 en tot 22 juli 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 2.5. Op grond van die machtiging verblijft [minderjarige] bij een (crisis)gezinshuis. 3Het (gewijzigde) verzoek3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 3.2. Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de beschikking van 8 juli 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van bovengenoemd verzoek van de GI om voor [minderjarige] een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening te verlenen, met ingang van 22 juli 2026 en tot 1 mei 2027. 3.3. Tijdens de zitting van 17 juli 2026 wijzigt de GI haar verzoek in die zin dat de GI een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verzoekt, te weten in een gezinsgerichte voorziening of een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ook verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten4.1. De GI wijzigt haar verzoek naar een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening of een voorziening voor pleegzorg. Dit omdat nog onduidelijk is waar [minderjarige] voor de langere termijn naartoe kan. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de GI nog toegelicht dat [minderjarige] niet meer niet thuis bij de moeder kon blijven. Er was geen geschikt pleeggezin voor [minderjarige] beschikbaar. Wel kon [minderjarige] als crisisplaatsing bij een gezinshuis terecht en daarvoor is een andere machtiging nodig. [minderjarige] verblijft daar nu en het gaat erg goed met hem. Hij gedijt bij de structuur. Doordat het een crisisplaatsing is, kan [minderjarige] nog maar een ruime week bij het gezinshuis blijven. In de week daarna kan [minderjarige] worden opgevangen door de grootouders moederszijde en voor daarna is de GI momenteel drie gezinshuizen aan het screenen, waar [minderjarige] voor langere tijd zou kunnen blijven. De GI zou willen dat [minderjarige] in het huidige gezinshuis kan blijven en voert hierover gesprekken met de gezinshuisouders, maar de kans is klein dat dit mogelijk is. 4.2. Door en namens de moeder is aangegeven dat zij achter het gewijzigde verzoek van de GI staat, maar zij verzoekt wel een kortere termijn nu nog onduidelijk is waar [minderjarige] voor de langere termijn kan blijven. Het gaat erg goed met [minderjarige] bij het gezinshuis. De moeder wordt goed op de hoogte gehouden met informatie en foto’s van [minderjarige] . De moeder zou willen dat [minderjarige] langer bij het (crisis)gezinshuis kan blijven. 4.3. De vader is het ook eens met het gewijzigde verzoek van de GI en de huidige plaatsing van [minderjarige] bij het gezinshuis. Het contact met de gezinshuisouders is goed en de vader krijgt dagelijks een foto van [minderjarige] . Het stelt de vader gerust dat [minderjarige] daar verblijft en hij zou willen dat [minderjarige] daar langer kan blijven. De vader benadrukt dat hij weer contact met [minderjarige] wil en dat wordt onderzocht of [minderjarige] naar hem of zijn familie kan komen. 5De beoordeling Spoedbeslissing machtiging tot uithuisplaatsing 5.1. Bij beschikking van 8 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 8 juli 2026 en tot 22 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende(n). De belanghebbende(n) zijn op 17 juli 2026 gehoord. 5.2. De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 8 juli 2026 moet worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat van het voorgaande geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing niet wordt herroepen en daarmee zijn werking dient te behouden. Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het (spoed)verzoek 5.3. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot
onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.4. De kinderrechter zal het resterende deel van het (gewijzigde) verzoek tot het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening of in een voorziening van pleegzorg deels toewijzen, te weten met ingang van 22 juli 2026 en tot 1 november 2026 en het resterende deel aanhouden. Zij legt dit hierna uit. 5.5. Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] op dit moment op basis van een crisisplaatsing bij een gezinshuis in [plaats 3] verblijft. Dit nadat de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar was geworden en de kinderrechter op 8 juli 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening heeft verleend, omdat het pleeggezin waar [minderjarige] per 10 juli 2026 naartoe zou gaan zich had teruggetrokken en er geen ander geschikt pleeggezin voor [minderjarige] werd gevonden. Alle aanwezigen hebben aangegeven dat het op dit moment erg goed met [minderjarige] bij het gezinshuis gaat; er is een klik tussen [minderjarige] en de gezinshuishoudens en [minderjarige] gedijt bij de structuur. Daarnaast hebben beide ouders tijdens de zitting aangegeven dat zij het fijn vinden dat de gezinshuisouders beide ouders dagelijks van informatie en foto’s van [minderjarige] voorzien. Beide ouders vinden het dan ook jammer dat de plaatsing van [minderjarige] bij het gezinshuis een crisisplaatsing is en dat hij daar naar alle waarschijnlijkheid niet voor langere tijd kan blijven. De GI heeft toegelicht dat zij met de gezinshuisouders in gesprek zijn om te kijken of [minderjarige] alsnog langer kan blijven, maar volgens de GI is die kans klein. Na ruim een week bij het gezinshuis gaat [minderjarige] voor een week naar zijn grootouders moederszijde. Waar [minderjarige] daarna voor de langere termijn naartoe gaat, is nog onduidelijk. De GI is op dit moment drie gezinshuizen aan het screenen. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend. De kinderrechter zal de – onweersproken – brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening of een voorziening voor pleegzorg toewijzen, maar anders dan verzocht tot 1 november 2026 en het resterende deel van het verzoek aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum. Dit omdat de kinderrechter het belangrijk vindt om vinger aan de pols te houden. In een zeer korte periode is er veel in het jonge leven van [minderjarige] gebeurd en tijdens de zitting is nog onduidelijk waar [minderjarige] na de huidige crisisplaatsing en de week bij zijn grootouders naartoe gaat. Daarnaast heeft de vader aangegeven dat hij graag zou willen dat de GI onderzoekt of [minderjarige] bij hem of zijn familie kan gaan wonen. De kinderrechter gaat er vanuit dat de GI ook deze mogelijkheid zal overwegen in de zoektocht naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] . Belangrijk is dat [minderjarige] structuur en rust in zijn opvoedomgeving blijft ervaren, zodat hij zich op een positieve manier kan blijven ontwikkelen. 5.6. Nu het verzoek tot 1 november 2026 zal worden toegewezen en het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden, verzoekt de kinderrechter de GI om voor de hierna te noemen pro forma datum per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken. Tevens wordt de GI verzocht haar nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of het restantverzoek al dan niet wordt gehandhaafd. 5.7. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening of een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 juli 2026 en tot 1 november 2026; 6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 2 oktober 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om voor deze datum per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken en verzoekt de GI haar nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de GI het restantverzoek al dan niet handhaaft; 6.4. behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.