Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:8089

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner door haar op verschillende manieren te benaderen en contact met haar te zoeken. Verdachte wordt vrijgesproken voor het met zijn rijgedrag gevaar of hinder op de weg veroorzaken. Oplegging van een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:8089 text/xml public 2026-08-24T09:31:40 2026-08-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-21 02-294588-25 Uitspraak Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8089 text/html public 2026-08-24T08:50:07 2026-08-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:8089 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-08-2026 / 02-294588-25
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner door haar op verschillende manieren te benaderen en contact met haar te zoeken. Verdachte wordt vrijgesproken voor het met zijn rijgedrag gevaar of hinder op de weg veroorzaken. Oplegging van een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-294588-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 augustus 2026

[verdachte],

geboren te [plaats 1] op [geboortedag] 1968,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres],

raadsvrouw mr. Y.H.M. van Mierlo, advocaat te Breda.
<nr>1</nr>Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn ex-partner [slachtoffer] (hierna [slachtoffer]) gedurende ruim 4 maanden heeft gestalkt en op een avond met zijn rijgedrag gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
<nr>3</nr>De voorvragen
De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
<nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs 4.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] gedurende ruim 4 maanden heeft belaagd. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gedachtestreepje ‘contact leggen met kennissen en/of vrienden van haar’ en het onder 2 tenlastegelegde verzoekt hij verdachte vrij te spreken.
4.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan komen. Primair kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de concreet vast te stellen gedragingen in onderlinge samenhang de voor belaging vereiste stelselmatigheid, wederrechtelijkheid en het specifieke oogmerk opleveren. De ruime tenlastelegging kan niet worden gedragen door de niet geauthenticeerde notitie, de anonieme oproepen, onbewezen routepassages en niet onderbouwd contact via vrienden. Subsidiair verzoekt de verdediging de bewezenverklaring strikt te beperken tot de gedateerde, erkende of anderszins objectief ondersteunde gedragingen, met een nauwkeurig afgebakende periode. Voor feit 2 ontbreekt steunbewijs waardoor verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1: belaging

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte en aangeefster hebben een relatie gehad. Op 12 juni 2025 heeft aangeefster via een brief aan verdachte kenbaar gemaakt de relatie definitief te beëindigen. Aangeefster heeft op 16 augustus 2025 aangifte gedaan van belaging door verdachte. Later heeft aangeefster haar aangifte meermalen aangevuld door nieuwe brieven, bezorgde bloemen, het aantreffen van een airtag onder haar auto en contactpogingen vanuit verdachte aan de politie te melden.

Uit zijn verklaring bij de politie blijkt dat verdachte kort na het beëindigen van de relatie een airtag onder de auto van aangeefster heeft geplaatst. Deze airtag is op 10 september 2025 door een garagemedewerker aangetroffen. In deze periode zijn aangeefster en verdachte elkaar veelvuldig tegengekomen en heeft verdachte een voor hem onbekende vriend van aangeefster thuis bezocht. Dit was de dag nadat aangeefster bij deze vriend koffie had gedronken. De verklaring van verdachte dat de airtag niet functioneerde en dat het puur toeval was dat hij aangeefster veel tegenkwam en bij deze man langs ging, omdat hij zou zijn gebeld dat er een onderdeel van zijn tractor voor diens huis aan de kant van de weg lag, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Het plaatsen van een airtag om de gangen van een ex-partner na te gaan kan op zichzelf al gekenmerkt worden als een belagingshandeling, omdat dit inbreuk maakt op iemands persoonlijke vrijheid. Verdachte is daarnaast, nadat aangeefster hem op WhatsApp had geblokkeerd, overgegaan tot het meermalen versturen van persoonlijke e-mails naar haar zakelijke e-mailadres, het bezorgen van bloemen en brieven bij aangeefster en het versturen van een WhatsApp-bericht, direct nadat aangeefster hem kort had gedeblokkeerd om hem nogmaals een stopbericht te sturen. De vraag is of dit samenstel van handelingen een bewezenverklaring van stalking rechtvaardigt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster heeft op 19 juni 2025, de begindatum van de tenlastegelegde periode, aan verdachte meegedeeld dat ze geen contact meer met hem wilde en dat ze hem zou gaan blokkeren. Uit de e-mail van 7 juli 2025 van verdachte blijkt dat hij zich bewust was van het uitblijven van contact en de blokkering door aangeefster. Hij schrijft in die e-mail dat ‘als aangeefster niets meer van zich laat horen, niet meer belt of hem op WhatsApp blokkeert, hij zijn e-mails of berichten elders heen zal sturen’. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte begreep dat aangeefster geen contact met hem wilde, maar dat hij daarin geen aanleiding zag zijn contactpogingen te staken. Op 8 juli 2025 heeft aangeefster nogmaals te kennen gegeven dat zij niet was gediend van de contactpogingen van verdachte. Op 27 juli 2025 heeft de politie een stopgesprek met verdachte gevoerd. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het stopgesprek niet als zodanig heeft ervaren, maar meer als een adviesgesprek. De rechtbank overweegt dat het voor verdachte na dit gesprek duidelijk moet zijn geweest dat het contact vanuit verdachte moest stoppen. Een dergelijk gesprek wordt door de politie functioneel ingezet in stalkingszaken en in een dergelijk gesprek wordt in niet mis te verstane bewoordingen meegedeeld dat er onmiddellijk gestopt moet worden met het zoeken van contact. Ondanks voornoemde momenten waarop aangeefster te kennen heeft gegeven geen contact te willen, zelfs met tussenkomst van de politie, bleef verdachte aangeefster in de ten laste gelegde periode benaderen.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte tezamen, in onderlinge samenhang bezien, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Verdachte heeft ter zitting opgemerkt dat hij zo gehandeld heeft, omdat hij zocht naar antwoorden over de beëindiging van de relatie. Hiermee heeft verdachte het oogmerk gehad om aangeefster te dwingen iets te dulden of te doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat voor het contact leggen met een vriend wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Dit is anders voor het via derden WhatsApp-berichten sturen. Verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Feit 2: vrijspraak

Ten aanzien van feit 2 bevindt zich maar één bewijsmiddel in het dossier, te weten de aangifte van de zoon van aangeefster. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het wettelijk bewijsminimum niet wordt gehaald, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
4.4.
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 19 juni 2025 tot en met 31 oktober 2025 te [plaats 2], [plaats 1], en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door haar

- rechtstreeks een WhatsApp-bericht te sturen en

- rechtstreeks meermalen e-mailberichten te versturen en

- brieven te bezorgen en

- bloemen te bezorgen en

- op te zoeken en/of in haar nabijheid te blijven en/of haar te volgen en door

- contact te leggen met een vriend van haar en

- een airtag op haar auto te plaatsen

met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en/of te dulden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
<nr>5</nr>De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis. Hij vordert tevens oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van 1 jaar, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor haar woon- en werkadres. De officier heeft gevorderd dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan 1 week hechtenis wordt toegepast, met een maximum van 3 maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank geen gevangenisstraf en geen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen. Het recidiverisico is laag en er zijn geen signalen dat verdachte nog contact zal zoeken met aangeefster.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] door haar op verschillende manieren te benaderen en contact met haar te zoeken. Daarmee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid en levenssfeer van [slachtoffer]. Uit de verklaringen van [slachtoffer] en haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het gedrag van verdachte bij haar voortdurend gevoelens van angst, onveiligheid en stress heeft veroorzaakt. Dergelijk gedrag raakt het slachtoffer diep en ondermijnt haar gevoel van autonomie en veiligheid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat het aantal bewezenverklaarde stalkingshandelingen over een periode van ruim 4 maanden beperkt is. Daarin ziet zij aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 30 juli 2026. Daaruit komt naar voren dat verdachte zijn leven goed op orde heeft, het risico op recidive laag wordt ingeschat en er geen bijzondere voorwaarden worden geadviseerd.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 90 uren passend en geboden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr, dan wel het opleggen van een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden. De eerder opgelegde gedragsaanwijzing is sinds maart 2026 niet meer van kracht en sindsdien zijn er geen nieuwe contactpogingen vanuit verdachte bekend geworden. Ook heeft verdachte ter zitting verklaard geen behoefte meer te hebben aan contact met [slachtoffer] en beschouwt hij deze situatie als afgesloten. Aan de juridische criteria voor oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr wordt dan ook niet voldaan. Op basis van het voorgaande ziet de rechtbank ook geen directe noodzaak voor het opleggen van een contact- en locatieverbod in de vorm van bijzondere voorwaarden.
<nr>7</nr>De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
<nr>8</nr>Beslissing
De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
belaging;
Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 90 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 45 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter,

en mrs. P.E. van Althuis en M. Koek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 augustus 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Artikel delen