Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:9139

Geldleningsovereenkomst. Vordering wordt toegewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 October 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:9139 text/xml public 2026-10-02T10:52:03 2026-09-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-09-16 12080003 CV EXPL 26-433 Uitspraak Bodemzaak NL Bergen op Zoom Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9139 text/html public 2026-10-01T10:52:14 2026-10-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:9139 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-09-2026 / 12080003 CV EXPL 26-433
Geldleningsovereenkomst. Vordering wordt toegewezen.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer: 12080003 CV EXPL 26-433

Vonnis van 16 september 2026

in de zaak van

INTRUM NEDERLAND B.V.,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Intrum,

gemachtigde: mr. J. Driessen,

tegen
<nr>1</nr> [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],

te [plaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: gedaagden,

procederend in persoon.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 januari 2026 met producties,- het mondelinge antwoord waarin uitstel is gevraagd,

- het schriftelijke antwoord met bijlagen,

- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de mondelinge behandeling van 19 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Gedaagden hebben op 15 november 2004 met PrimeLine services B.V., (hierna te noemen: PrimeLine) een kredietovereenkomst gesloten. Het betrof een doorlopend krediet met een kredietlimiet van € 50.000,00.
2.2.
PrimeLine heeft gedaagden op 3 december 2020 en op 14 januari 2021 in gebreke gesteld en hen een termijn van vijf dagen gegeven om alsnog aan hun betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
Op 28 januari 2021 heeft PrimeLine gedaagden laten weten dat de volledige lening werd opgeëist.
2.4.
Intrum heeft de vordering op 14 oktober 2022 van PrimeLine overgenomen via een akte van cessie
2.5.
Gedaagden hebben op 24 juli 2026 tweemaal € 25,00 aan Intrum betaald.
2.6.
Gedaagden hebben op 6 mei 2026 € 50,00 aan Intrum betaald.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
Intrum vordert - samengevat en na vermindering van eis ter zitting - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 54.842,19, vermeerderd met rente.
3.2.
Intrum legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

Gedaagden zijn in gebreke gebleven met de verplichte maandelijkse afbetalingen, als gevolg waarvan de volledige vordering opeisbaar is geworden. Intrum heeft de vordering van PrimeLine overgenomen en vordert daarom betaling van de opeisbare vordering. Na dagvaarden heeft Intrum € 100,00 van gedaagden ontvangen. Dit bedrag strekt in mindering op de vordering.
3.3.
Gedaagden voeren verweer. Gedaagden erkennen dat zij met PrimeLine een overeenkomst hebben gesloten, maar wijzen erop dat er sprake is van betalingsonmacht. Zij lossen momenteel maandelijks een aanzienlijk bedrag af op een andere schuld, waardoor er weinig financiële ruimte overblijft om ook deze schuld af te lossen. Dit neemt echter niet weg dat gedaagden graag met Intrum tot een betalingsregeling willen komen en hierover nadere afspraken willen maken.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
De hoofdsom
4.1.
Gedaagden zijn hun betalingsverplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst niet nagekomen, waardoor het volledige bedrag opeisbaar is geworden. De kantonrechter heeft Intrum ter zitting voorgehouden dat uit de dagvaarding onvoldoende blijkt waaruit de vordering precies bestaat. Intrum heeft haar vordering nader onderbouwd door middel van een overzicht van alle betalingen en mutaties met betrekking tot de kredietruimte vanaf het moment dat de vordering is gecedeerd. Gedaagden hebben dit overzicht niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter overweegt dat Intrum haar vordering met dit overzicht voldoende heeft onderbouwd. De daarin opgenomen bedragen corresponderen namelijk met de bedragen die in de overgelegde correspondentie zijn vermeld.
4.2.
Ter zitting hebben gedaagden voorts aangevoerd dat gedurende de afgelopen jaren maandelijks een bedrag van € 25,00 van hun rekening werd afgeschreven. Rond het moment van dagvaarden zijn deze afschrijvingen echter gestopt, waarna zij het zelf handmatig hebben overgemaakt. Intrum heeft erkend dat zij vier betalingen heeft ontvangen van in totaal € 100,00. Deze betalingen strekken dan ook in mindering op de vordering. Verder is het tijdens de mondelinge behandeling duidelijk geworden dat Intrum niet verantwoordelijk is voor de aangehaalde afschrijvingen. Mogelijk houden deze afschrijvingen verband met het feit dat in het kader van de kredietovereenkomst tevens een creditcard is afgesloten. Een eventuele vordering uit hoofde van deze creditcardovereenkomst is echter niet aan Intrum gecedeerd.
4.3.
Gedaagden worden, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, veroordeeld tot betaling van € 54.842,19 aan Intrum. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente zoals vermeld onder de beslissing. Gedaagden hebben niet voldaan aan hun betalingsverplichting, als gevolg waarvan zij automatisch in verzuim zijn geraakt. Bovendien zijn zij meermaals in gebreke gesteld om alsnog na te komen, waarna gedaagden niet alsnog hun betalingsverplichting zijn nagekomen. Ook dit heeft verzuim tot gevolg.

De proceskosten
4.4.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intrum worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

155,59

- griffierecht

€

1.504,00

- salaris gemachtigde

€

1.732,00

(2 punten × € 866,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

3.535,59
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.6.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan Intrum te betalen een bedrag van € 54.842,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 3.535,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.


Artikel delen