Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RVS:2026:4346

Bij besluit van 27 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Raad van State 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RVS:2026:4346 text/xml public 2026-08-05T10:33:01 2026-07-27 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-07-29 BRS.26.003079 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4346 text/html public 2026-07-27T09:15:00 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:4346 Raad van State , 29-07-2026 / BRS.26.003079
Bij besluit van 27 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

BRS.26.003079

ECLI:NL:RVS:2026:4346

Datum uitspraak: 29 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 juni 2026 in zaak nr. NL26.30384 in het geding tussen:

[ betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 16 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T. Bruinsma, advocaat in Lemmer, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 3 en 4 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. A Campo

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026

907

Artikel delen