Onder de Woningwet was het politieke stopwoordje: “minder regels”. Toen dat grandioos mislukte, heette het onder de Wabo ineens “eenvoudiger regels”. En nu dat ook is vastgelopen, klinkt in de Tweede Kamer het nieuwe adagium: “slimmere regels”. Moeten we ons nu echt zorgen maken dat dit leidt tot extreem domme regels? Als ik het commissiedebat van 11 juni goed heb beluisterd, vrees ik het ergste.

Rond 2000 kreeg elke ambtenaar letterlijk de opdracht om regels te schrappen en het regelboekje dunner te maken. Ook wel bekend als deregulering, ontkokering en — in sommige kringen — onslakken. En dat terwijl er toen, vergeleken met nu, nog sprake was van een bijna idyllische regelrust.
Een bestemmingsplan was vaak nog een flinterdun boekje. Tegenwoordig heeft een printer er drie dagen voor nodig om een omgevingsplan uit te draaien, voor zover dat überhaupt nog lukt.
Gewoon regels doorkrassen dus. Lukte dat niet, dan moesten woorden of zinnen worden geschrapt of ingekort, zodat het boekje in elk geval slanker leek. Misschien verklaart dat waarom sommige regels vandaag de dag zo cryptisch zijn geformuleerd. Niet omdat men het beter wist, maar omdat het dunner moest.
Dat had trouwens nog een ander doel: de regel kon ter plekke naar eigen inzicht worden uitgelegd. En als dat niet hielp, bestond er nog de beruchte artikel 5-procedure — waarvan ik tegenwoordig eigenlijk nauwelijks nog iets hoor.
Al snel bleek dat het schrappen van regels vooral leidde tot meer onduidelijkheid. Als een regel te kort was, ontstond de klassieke driehoek: gemeente vindt dit, aanvrager vindt dat, en bezwaarmaker vindt weer iets anders. Iedereen ruzie, en uiteindelijk kreeg de gemeente de schuld.
Om die onduidelijkheid, die vaak pas in bezwaarprocedures echt zichtbaar werd, te verhelpen, werden voor het verwijderen van één regel complete beleidsstukken van soms vijftig artikelen opgesteld. Dan doen we het maar meteen goed, was kennelijk het motto.
Dat werkte zo aanstekelijk dat voor van alles apart beleid verscheen, en iedereen elkaar begon te kopiëren. Hoe meer beleidsstukken, hoe beter, leek het devies. Het gevolg waren absurde situaties: bouwregels voor kustbebouwing in documenten van gemeenten zonder een druppel water binnen de grenzen, of straat- en gebiedsnamen die niet eens in de betreffende gemeente lagen.
Gemeenten moesten daarom al vóór de invoering van de Omgevingswet al hun beleidsstukken inventariseren, omdat niemand nog precies wist waarvoor al dat beleid eigenlijk bedoeld was. Het kwam zelfs voor dat twee beleidsstukken over exact hetzelfde onderwerp naast elkaar bestonden en beide tegelijk van kracht waren. Dat kon natuurlijk niet doorgaan.
Iedereen was de slogan “minder regels” inmiddels zat, dus moest er iets nieuws komen. De marketingafdeling van het ministerie van Infrastructuur en Milieu bedacht: “Eenvoudig beter” en trok daarmee het hele land door — een promotietour waar zelfs de reclamekaravaan van de Tour de France bleek van zou worden. Wat daarvan terecht is gekomen onder de Omgevingswet behoeft verder nauwelijks toelichting.
Zowel “minder regels” als “eenvoudigere regels” hebben uiteindelijk precies het tegenovergestelde opgeleverd. Desondanks deed Mona nog een wanhoopspoging met programma STOER. Maar de laatste weken valt mij vooral op dat politici steeds vaker de term “slimmere regels” gebruiken, en nadrukkelijk zeggen dat ze géén minder regels willen. Het woord “eenvoudig” durft inmiddels ook niemand meer hardop uit te spreken.
Is dit het begin van een nieuw tijdperk van extreem domme regelgeving? Het lijkt er soms wel op. Denk aan ideeën als: vergunningvrij mantelzorgwoningen landelijk regelen, met uitbreiding naar familiewoningen; het lukraak splitsen van eengezinswoningen zonder goede afweging; of alles al vooraf willen regelen in het omgevingsplan, zodat voor een rugstreeppad duidelijk is dat een gebied verboden terrein is.
En dan is er nog het plan om de gemeenteraad een grotere rol te geven in bezwaarprocedures — zomaar een greep uit wat ik hoorde in het commissiedebat.


Deze column is op persoonlijke titel geschreven — cynisch, met een knipoog.
