Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ATGB trekt grens: CO₂-gestuurde ventilatie voldoet niet als gelijkwaardige maatregel voor horeca

Een voormalig agrarisch gebouw dat tegenwoordig dienstdoet als horecalocatie heeft geleid tot een principiële uitspraak over ventilatie-eisen onder het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In advies 2611 oordeelt de ATGB dat een ventilatiesysteem dat wordt gestuurd op CO₂-concentraties niet gelijkwaardig is aan de wettelijk voorgeschreven ventilatiecapaciteit voor een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik. Het advies raakt aan een breder vraagstuk: hoeveel ruimte biedt de Omgevingswet voor slimme, vraaggestuurde technieken wanneer de regelgeving uitgaat van vaste capaciteitsnormen?

11 September 2026

Ventilatieconflict na legalisatie horecagebruik

De zaak speelt rond een voormalige mestkuikenschuur uit de jaren zestig die in de loop der jaren is omgebouwd tot een locatie voor vergaderingen, trainingen, feesten en andere bijeenkomsten. Nadat het gebruik als bijeenkomstfunctie en bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik was gelegaliseerd, bleef één technisch punt onderwerp van discussie: de ventilatievoorziening.

Volgens de gemeente voldoet de huidige situatie niet aan de ventilatie-eisen uit het Bbl. De grootste zaal heeft een oppervlakte van 236 m² en mag volgens de vergunning door maximaal 100 personen tegelijk worden gebruikt. Dat brengt specifieke ventilatieverplichtingen met zich mee.

De exploitant wilde geen traditioneel ventilatiesysteem installeren met een permanent hoge capaciteit, maar stelde een vraaggestuurde oplossing voor. Daarbij zou de luchtkwaliteit continu worden gemeten en zou de ventilatie automatisch opschalen zodra de CO₂-concentratie stijgt. Uitgangspunt was dat de concentratie nooit boven de 1.200 ppm uitkomt.

Wettelijke capaciteitseis blijkt doorslaggevend

De discussie draait om artikel 3.67 van het Bbl. Voor een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik geldt niet alleen een ventilatie-eis per persoon, maar ook een aanvullende eis op basis van vloeroppervlak. Die laatste bepaling schrijft een minimale ventilatiecapaciteit voor van 3,8 dm³/s per m² vloeroppervlak.

Voor de betreffende zaal betekent dit:

  • vloeroppervlak: 236 m²;
  • vereiste capaciteit: 236 × 3,8 dm³/s;
  • totaal minimaal ventilatiedebiet: 896,8 dm³/s.

Volgens de exploitant is die capaciteit in de praktijk disproportioneel. De maximale bezetting van 100 personen wordt slechts incidenteel bereikt. Het grootste deel van het jaar gebruiken kleinere groepen de ruimte. Daardoor ontstaat volgens de initiatiefnemer een situatie waarin een installatie grotendeels overgedimensioneerd zou zijn.

Gelijkwaardigheid strandt op systematiek van het Bbl

De kernvraag voor de adviescommissie luidde of de voorgestelde oplossing kon worden beschouwd als een gelijkwaardige maatregel in de zin van artikel 4.7 van de Omgevingswet. De ATGB beantwoordt die vraag ontkennend.

Volgens de commissie richt artikel 3.67 zich op de aanwezigheid van een ventilatievoorziening met een vooraf vastgestelde capaciteit. Het voorschrift bevat daarmee een concrete prestatie-eis voor de installatie zelf. Sturing op CO₂-concentraties verandert daar volgens de commissie niets aan. De aanwezigheid van voldoende capaciteit blijft leidend.

De commissie benadrukt dat ventilatiesturing geen onderdeel vormt van de wettelijke eis. Daardoor kan een regeling die uitsluitend is gebaseerd op gemeten CO₂-waarden niet worden gebruikt om de vereiste capaciteit uit het zevende lid van artikel 3.67 te vervangen.

Opvallende nuance over luchtkwaliteit

Hoewel de commissie het gelijkwaardigheidsvoorstel afwijst, bevat het advies een belangrijke nuance. De ATGB plaatst namelijk vraagtekens bij de gezondheidskundige argumentatie van de gemeente.

De gemeente stelde dat pas onder de 800 ppm sprake is van een goed geventileerde ruimte en verwees naar mogelijke klachten bij hogere concentraties. De commissie merkt echter op dat de ventilatie-eisen uit het Bbl zelf corresponderen met aanzienlijk hogere CO₂-concentraties.

Volgens het advies komt:

  • de nieuwbouweis van 4 dm³/s per persoon overeen met ongeveer 1.800 ppm CO₂;
  • de eis voor bestaande bouw van 2,12 dm³/s per persoon overeen met circa 3.000 ppm CO₂.

Daarnaast wijst de commissie erop dat in het Programma van Eisen Frisse Scholen een concentratie van 1.200 ppm als voldoende wordt beschouwd.

Daarmee ontstaat een opmerkelijke tegenstelling. Juridisch wordt het voorstel afgewezen, terwijl de commissie tegelijkertijd vaststelt dat het beoogde ventilatieniveau vanuit luchtkwaliteitsoptiek ruim boven de minimumeisen voor bestaande bouw en zelfs boven de nieuwbouweisen zou liggen.

Historische regelgeving werkt door

In de onderbouwing van het gelijkwaardigheidsverzoek wees de exploitant op de oorsprong van de huidige ventilatie-eis. De norm van 3,8 dm³/s per m² is historisch verbonden met regelgeving voor horecagelegenheden uit de periode waarin roken nog was toegestaan en hoge bezoekersdichtheden gebruikelijk waren. Ook de ervaringen tijdens de coronapandemie hebben geleid tot hernieuwde aandacht voor ventilatie in regelgeving.

De commissie erkent die achtergrond, maar constateert tegelijkertijd dat de wetgever ervoor heeft gekozen de capaciteitseis opnieuw op te nemen in het Bbl. Daardoor blijft de juridische toets beperkt tot de vraag of aan de vastgelegde norm wordt voldaan.

Consequenties voor gemeenten en adviseurs

Het advies onderstreept dat innovatieve installatietechniek niet automatisch leidt tot juridische gelijkwaardigheid. Voor gemeenten biedt het oordeel steun bij handhaving van expliciete capaciteitseisen. Voor adviseurs en gebouwgebruikers laat het zien dat een technisch verdedigbare oplossing onvoldoende kan zijn wanneer zij niet aansluit bij de systematiek van de regelgeving.

Tegelijkertijd maakt de zaak duidelijk dat er spanning bestaat tussen vaste ontwerpnormen en moderne vraaggestuurde installaties. Waar traditionele regelgeving uitgaat van permanent beschikbare capaciteit, sturen moderne systemen steeds vaker op daadwerkelijk gebruik en realtime luchtkwaliteitsmetingen.

Vooruitblik: botsing tussen prestatie-eisen en slimme gebouwen

Met advies 2611 bevestigt de ATGB dat de huidige regels voor bijeenkomstfuncties voor alcoholgebruik weinig ruimte laten om een vaste ventilatiecapaciteit te vervangen door een CO₂-gestuurde benadering. De commissie concludeert dat de voorgestelde oplossing niet hetzelfde juridische resultaat bereikt als de norm waarop artikel 3.67, zevende lid, is gebaseerd.

De zaak legt daarmee een fundamentele vraag bloot voor het omgevingsrecht. Naarmate gebouwen slimmer worden en installaties steeds nauwkeuriger inspelen op feitelijk gebruik, neemt de druk toe op regelgeving die uitgaat van vaste capaciteiten. Zolang het Bbl deze systematiek handhaaft, blijft de ruimte voor gelijkwaardigheid beperkt, ook wanneer een alternatieve oplossing aantoonbaar leidt tot een gezond binnenklimaat.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.