Voor een korte zomerstop bereikte mijn ‘BOPA-teller’ de 190e BOPA-uitspraak. Inmiddels is de mijlpaal van de 200ste BOPA-uitspraak bereikt. In dit blogartikel een overzicht van de 191e tot en met de 200e BOPA-uitspraak. Na het bereiken van de mijlpaal van de 200ste BOPA-uitspraak zal ik stoppen met de 'BOPA-uitsprakenteller'. Als er interessante en vermeldenswaardige BOPA-uitspraken zullen worden gedaan zal ik die in mijn reguliere blogs vermelden.

191e uitspraak BOPA (rechtbank Midden-Nederland 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5199): weigering BOPA vanwege niet voldoen aan ETFAL
Deze uitspraak handelde over de weigering van een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een in strijd met het bestemmingsplan (dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) gebouwde carport. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom de carport niet in overeenstemming is met ETFAL.
192e uitspraak BOPA (rechtbank Midden-Nederland 30 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5150): ETFAL-afweging tussen belangen vergunninghouder en belangen omwonende (o.a. privacy en geluid)
Er is een BOPA verleend voor het bouwen van een appartementencomplex met vier bouwlagen. Eiser woont tegenover het perceel waar het appartementencomplex wordt gebouwd en vreest onder meer voor inkijk vanaf de galerij in zijn achtertuin en woning en geluidsoverlast van de warmtepompen op het dak. De kern van zijn beroep is dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, omdat het college een zorgvuldige beoordeling heeft gemaakt of sprake is van ETFAL en daarbij in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van vergunninghouder om te bouwen dan aan de belangen van eiser (o.a. de aspecten privacy en gecumuleerd geluid).
193e uitspraak BOPA (rechtbank Noord-Nederland 28 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3428): BOPA voor aanlegactiviteit die niet in het omgevingsplan past en wel of niet 'doortoetsen'
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een houtwal. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing daarvan. In de uitspraak wordt ingegaan of bij een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit aanleggen (die strijdig is met de beoordelingsregels uit het omgevingsplan) moet worden doorgetoetst of er wel een BOPA kan worden verleend gezien het ETFAL-criterium. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag (alleen) betrekking heeft op een vergunning voor het ophogen en aanplanten. Op het aanvraagformulier staat dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de activiteit: ‘werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren’. Er is geen aanvraag gedaan voor een BOPA in verband met strijd met geldende bestemmingen. Het college heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat gelet op art. 8.0a, lid 2 Bkl de aanvraag mede moet worden opgevat als een aanvraag voor een BOPA. De rechtbank begrijpt het standpunt van het college zo dat – omdat de aangevraagde vergunning volgens het college in strijd is met de beoordelingsregels in het omgevingsplan – moet worden ‘doorgeschakeld’ naar de beoordeling van de aanvraag als BOPA, waarbij niet alleen moet worden beoordeeld of de vergunning kan worden verleend in strijd met de beoordelingsregels voor de vergunningen voor het ophogen en aanplanten, maar ook of daarbij moet en kan worden afgeweken van de gebruiksregels voor de bestemming. Het betoog van het college slaagt niet. In de Omgevingswet heeft de wetgever ervoor gekozen het vereiste van de onlosmakelijke samenhang tussen verschillende vergunningplichtige activiteiten - zoals dat tot 2024 onder de Wabo gold - te laten vervallen. Art. 5.7, lid 1 Ow bepaalt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking kan hebben.
194e uitspraak BOPA (rechtbank Den Haag 10 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20338): weigering BOPA vanwege strijdigheid met ETFAL
Hoewel het mogelijk is om af te wijken van de voorgeschreven bouwhoogte en bebouwde oppervlakte, is daarvoor vereist dat de stedenbouwkundige situatie een meer intensieve bebouwing toelaat en het resultaat in overeenstemming is met ETFAL. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het aangevraagde bouwplan leidt tot een te massaal bebouwingsvolume dat niet in verhouding staat tot de omliggende bebouwing.
195e uitspraak BOPA (rechtbank Den Haag 10 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20338): tijdelijke BOPA verleend ondanks stedenbouwkundige bezwaren + stroomgebruik ontwikkeling niet relevant bij ETFAL
Verlening omgevingsvergunning (BOPA) voor het vestigen van een massagesalon in kantoorpand voor de duur van het huurcontract. Voldoende gronden om de massagesalon tijdelijk te legaliseren, ondanks dat het vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen logische plek is. Een interessante rechtsoverweging betreft de vraag of er al dan niet sprake is van een disbalans in de klimaatregeling en dat het stroomgebruik van de beoogde ontwikkeling niet relevant is in het kader van ETFAL. De enkele stelling van eiseres dat een massagesalon in een kantoorpand niet wenselijk is, omdat dit overlast veroorzaakt voor de andere kantoorgebruikers is niet met concrete gegevens onderbouwd. De stelling dat de gedane aanpassingen in de door vergunninghouder gehuurde ruimtes tot disbalans in de klimaatregeling leiden en dat er onevenredig veel stroom gebruikt zou worden doorvergunninghouder, is wat er ook van zij niet planologisch relevant.
196e uitspraak BOPA (rechtbank Zeeland West-Brabant 18 augustus 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7013): weigeren BOPA vanwege voorbeschermingsregels omgevingsplan + exceptieve toetsing van deze voorbeschermingsregels
Deze uitspraak was erg interessant vanwege het weigeren van een BOPA-aanvraag vanwege strijdigheid met voorbeschermingsregels uit een voorbereidingsbesluit.
De gemeenteraad kan voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels, op grond van art. 4.14, lid 1 Ow. Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met die voorbeschermingsregels. Een omgevingsvergunning voor een BOPA anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan. Dit staat in art. 8.0b, lid 2, onder b Bkl. Art. 2, onder a, van het TAM-Voorbereidingsbesluit is namelijk onverbindend vanwege strijd met art. 4.14, lid 3, onder a Ow. De aanvraag is afgewezen vanwege strijd met art. 2, onder a en b van het TAM-voorbereidingsbesluit. Het TAM-voorbereidingsbesluit is een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is. Hiertegen kan geen beroep worden ingesteld omdat dit een van beroep uitgezonderd besluit betreft als bedoeld in art. 8:5, lid 1 Awb, gelezen in verbinding met art. 1 bijlage 2 bij de Awb (de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak). De Afdeling heeft in eerdere rechtspraak bevestigd dat een voorbereidingsbesluit in de zin van art. 3.7 Wro exceptief kan worden getoetst. Naar oordeel van de rechtbank geldt dit onverkort voor het voorbereidingsbesluit in de zin van art. 4.14 Ow. Naar oordeel van de rechtbank heeft de letterlijke tekst van art. 2, onder a, van het TAM-voorbereidingsbesluit een bredere reikwijdte dan is toegestaan volgens art. 4.14, lid 3, onder a Ow. Het derde lid van dit laatstgenoemde artikel geeft namelijk een (limitatieve) opsomming van wat voorbeschermingsregels alleen kunnen inhouden. Volgens onderdeel a van het derde lid kan een voorbeschermingsregel inhouden: een verbod of een verbod om zonder voorafgaande melding of zonder omgevingsvergunning daarbij aangewezen activiteiten te verrichten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet plaatsvinden. In art. 2, onder a, van het TAM-voorbereidingsbesluit ontbreekt echter de voorwaarde dat het verbod enkel ziet op activiteiten die volgens het Omgevingsplan zijn toegestaan. Art. 2, onder a, van het TAM-voorbereidingsbesluit houdt namelijk alleen een verbod in om gebruiksactiviteiten te verrichten die ten tijde van de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit nog niet plaatsvinden. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS dienen planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd. De rechtszekerheid vereist immers dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, in beginsel dient te worden uitgegaan. Omdat deze rechtspraak eveneens geldt voor planregels in het Omgevingsplan, acht de rechtbank deze regel ook van toepassing op voorbeschermingsregels in de zin van art. 4.14 Ow. Op grond van art. 4.14, lid 2 Ow wijzigt het voorbereidingsbesluit het omgevingsplan namelijk met voorbeschermingsregels. Om die reden volgt de rechtbank niet de interpretatie van het college dat het voorbereidingsbesluit moet worden gelezen in samenhang met de wettelijke grondslag waarop dit is gebaseerd.
De rechtbank acht daarom art. 2, onder a, van het TAM-voorbereidingsbesluit onverbindend. Toch laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de afwijzing óók is gebaseerd op art. 2, onder b van het TAM-voorbereidingsbesluit. De aangevraagde BOPA is daarmee in strijd. Art. 8.0b, lid 2, onder b Bkl bepaalt dwingendrechtelijk dat de omgevingsvergunning wordt geweigerd. Naar oordeel van de rechtbank heeft het college art. 8.0b, lid 2, onder b Bkl op goede gronden toepast op de aanvraag van eiseres. Art. 8.0b, lid 1 Bkl is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een BOPA die niet van provinciaal of nationaal belang is. In het tweede lid, aanhef en onder b, van het Bkl is bepaald dat een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan. Eiseres heeft één aanvraag ingediend voor het bouwen en in gebruik nemen van een pannenkoekenherberg én een woongebouw. Het bouwen van de herberg is in strijd met de voorbeschermingsregel van art. 2, onder b van het TAM-voorbereidingsbesluit, maar dit gedeelte van de aanvraag is niet in strijd met het bestemmingsplan. Het bouwen van het woongebouw is niet in strijd met die voorbeschermingsregel, maar dat gedeelte van de aanvraag is wel in strijd met het bestemmingsplan. Samen is dit één aanvraag om een BOPA en art. 8.0b, lid 2, onder b Bkl is van toepassing op dit geheel. Dat betekent dat de aanvraag dwingendrechtelijk in zijn geheel moest worden geweigerd. Alleen wanneer een aanvraag betrekking heeft op meerdere activiteiten, dan kan een omgevingsvergunning gedeeltelijk worden verleend (dit staat in art. 5.33a Ow). Daar is in het geval van eiseres geen sprake van. Tussen partijen is niet in geschil dat er binnenplans geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een omgevingsplanactiviteit die in strijd is met het voorbereidingsbesluit. Hieruit leidt de rechtbank af dat het college geen ruimte had voor de beoordeling van een ETFAL en dat het de gevraagde BOPA moest weigeren.
197e uitspraak BOPA (rechtbank Den Haag 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21415): wat is het gevolg van het niet juist kennisgeven van een verleende BOPA (art. 16.64, lid 3 Ow)?
In deze BOPA-uitspraak werd ingegaan op wat het rechtsgevolg is als niet juist toepassing is gegeven aan de kennisgevingsplicht van art. 16.64, lid 3 Ow. Dit artikellid bepaalt dat tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit op de in art. 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze. Het college erkent dat een fout is gemaakt door pas op 4 juni 2026, en dus na afloop van de bezwaartermijn, door publicatie in het Gemeenteblad mededeling te doen van verlening van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen verzoekers aan het feit dat te laat mededeling is gedaan van het bestreden besluit geen spoedeisend belang ontlenen. Anders dan verzoekers hebben gesteld is niet gebleken dat het bestreden besluit niet overeenkomstig art. 3:40 Awb bekend is gemaakt. Bekendmaking van een omgevingsvergunning vindt immers plaats door toezending aan de aanvrager, zodat het bestreden besluit op 21 april 2026 bekend is gemaakt. De omstandigheid dat vervolgens, in strijd met art. 16.64, lid 3 Ow, niet zo spoedig mogelijk na bekendmaking van de omgevingsvergunning daarvan kennis is gegeven door publicatie in het Gemeenteblad, doet er niet aan af dat het bestreden besluit bekend is gemaakt. Een tekortkoming aan de kennisgeving van het bestreden besluit kan ook niet tot gevolg hebben dat het bestreden besluit onrechtmatig is. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat verzoekers niet alleen kort voor de publicatie – op 2 juni 2026 – bezwaar hebben gemaakt tegen het bestreden besluit, maar dat zij ook alsmede-indieners worden vermeld in een bezwaarschrift van 10 mei 2026. Verzoekers hebben dus, ondanks de late kennisgeving van het besluit, tijdig bezwaar gemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn verzoekers daarom niet in hun belangen geschaad.
198e uitspraak BOPA (rechtbank Midden-Nederland 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5669): (on)uitvoerbaarheidstoets BOPA vanwege mogelijke flora- en fauna-activiteit: hoe ver gaat deze toets?
In deze BOPA-uitspraak werd wederom ingegaan op hoe de (on)uitvoerbaarheidstoets bij de BOPA wordt toegepast inzake flora- en fauna-activiteiten (in dit geval met betrekking tot dassen). De voorzieningenrechter is van oordeel dat de wetgever met art. 5.7 Ow kennelijk heeft beoogd te breken met het uitgangspunt van de Wabo dat onlosmakelijke activiteiten gelijktijdig moeten worden aangevraagd. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om de bestaande Wabo-rechtspraak over de uitvoerbaarheid van een bouwplan in relatie tot flora- en fauna onder de Omgevingswet voort te zetten. De uitvoerbaarheidstoets onder de Ow beperkt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot een beoordeling of bij voorbaat sprake is van een evident onuitvoerbaar bouwplan, omdat in geen geval tot uitvoering kan worden overgegaan. Bij die toets hoeven de gevolgen voor flora- en fauna niet betrokken te worden, omdat voor die activiteit een afzonderlijke vergunningplicht met een eigen beoordelingskader geldt met een ander bevoegd gezag (het college van gedeputeerde staten in plaats van het college van burgemeester en wethouders) en het de aanvrager vrij staat die vergunning afzonderlijk aan te vragen. Omdat het besluit van het college ziet op een BOPA, beoordeelt de voorzieningenrechter in deze procedure alleen die activiteit en betrekt zij daarbij niet ook de mogelijke gevolgen voor aanwezige flora- en fauna. De argumenten van verzoekster en verzoekers over de ecologische gevolgen van het dassenraster vallen dus buiten de omvang van dit geding. Omdat verzoekster en verzoekersgeen bezwaren hebben tegen de BOPA, zoals bijvoorbeeld over de bouwhoogte of de inpassing van het dassenraster in de groene omgeving, kan de voorzieningenrechter niet anders dan concluderen dat de bezwaren geen kans van slagen hebben. De voorzieningenrechter wijst er op dat een aanvrager zelf verantwoordelijk is voor het beschikken over de vereiste vergunningen voor alle activiteiten die hij verricht. Indien dit niet het geval is, kan hier tegen handhavend worden opgetreden, omdat het niet is toegestaan om zonder benodigde omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor verzoekster en verzoekers staat dus een andere weg open om op te komen voor de das en van die mogelijkheid hebben zij ook gebruik gemaakt. Voor de beoordeling of sprake is van een vergunningplichtige flora- en fauna-activiteit is het college van gedeputeerde staten van de provincie het bevoegd gezag. Verzoekster heeft tegen het plaatsen van het dassenraster een verzoek om handhaving bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht ingediend, zodat een geschil over het wel of niet nodig zijn van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit in die procedure aan de orde komt.
199e uitspraak BOPA (rechtbank Overijssel 17 augustus 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5041): ETFAL en veiligheid voor de omgeving: in hoeverre speelt gedrag van bezoekers en derden hierbij een rol?
Deze BOPA-uitspraak is interessant vanwege de vraag in hoeverre de veiligheid van de omgeving aan de orde komt bij de verlening van een BOPA voor een handboogschietterrein en in hoeverre het gedrag van de gebruikers van het terrein en gedrag van derden hierbij een rol speelt.
Eiser stelt dat met het verlenen van de omgevingsvergunning de veiligheid van de zijn woonomgeving om verschillende redenen niet is gewaarborgd, onder meer omdat hij vreest dat uitschietende pijlen in zijn leefomgeving terechtkomen. Daarbij richt het beroep zich tegen de inrichting en het gebruik van veld B omdat eiser daartegenover woont. De rechtbank stelt voorop dat het college bij het beoordelen van de vraag of met het verlenen van de omgevingsvergunning sprake is van ETFAL binnen de fysieke leefomgeving, ook de veiligheid van de omgeving moet betrekken. Het college moet zich voldoende rekenschap geven van de risico’s die de te vergunnen activiteit voor de specifieke omgeving met zich brengt. In dit geval staat de omgevingsvergunning het realiseren van een handboogschietterrein aan de rand van een woonwijk en onder meer gesitueerd naast de openbare weg en een fietspad toe. Bij het beoordelen van de veiligheid voor de omgeving spelen in dit geval de inrichting van het terrein, het gedrag van de gebruikers van het terrein en het gedrag van derden een rol. Het is aan het college om op basis van die veiligheidsbeoordeling vervolgens een afweging te maken of sprake is van ETFAL. Die beoordeling toetst de bestuursrechter terughoudend. In het verlengde van de toetsingsmaatstaf zoals genoemd moet de bestuursrechter de vraag beantwoorden of het college de veiligheid voldoende heeft betrokken in zijn afweging en vervolgens in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat er sprake is van ETFAL.
De rechtbank stelt vast dat een veiligheidsplan onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Dit veiligheidsplan is opgesteld door de Vereniging. Daarnaast heeft de Koninklijke Handboog Sport Nederland (KHSN) het terrein bezocht, het veiligheidsplan beoordeeld en vervolgens goedgekeurd. In het veiligheidsplan zijn regels opgenomen over de inrichting van het terrein, het gedrag van de gebruikers van het terrein en het gedrag van derden. Het college stelt dat met dit veiligheidsplan de veiligheid van de omgeving goed genoeg gewaarborgd is en daarom sprake is van ETFAL. De rechtbank stelt vervolgens vast dat voor de inrichting van het terrein het veiligheidsplan grotendeels is gebaseerd op de ‘normen en richtlijnen voor handboogsportaccommodaties’ die hierover door de Nederlandse Handboogbond (NHB), inmiddels KHSN, zijn vastgesteld (de normen). Deze normen zijn onderdeel van het veiligheidsplan. De rechtbank stelt vast dat het veiligheidsplan, naast de inrichtingseisen, ook ziet op het gedrag van de gebruikers van het terrein. Uit het veiligheidsplan volgt dat gedrag een essentiële voorwaarde is voor de veiligheid van de sportbeoefenaars, terreinbezoekers en ook de veiligheid van de omgeving. In het veiligheidsplan wordt verwezen naar verschillende gedragscodes, die daarmee onderdeel zijn van het veiligheidsplan. In de normen zijn specifieke gedragsregels opgenomen die gaan over het gebruik van veldschietbanen zoals op veld B zal plaatsvinden. Die houden onder meer in dat de sport alleen onder toezicht plaatsvindt en alleen vanaf de standplaats op het doel mag worden geschoten. Als deze regels niet worden nageleefd heeft dat uitsluiting van deelname tot gevolg. Geen van de partijen betwist dat menselijk gedrag, ondanks gedragsregels, altijd een onzekere factor blijft. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de mogelijkheid dat buitenstaanders, ondanks het hekwerk en waarschuwingen, het terrein ongewenst betreden. Voor ETFAL is anders dan door eiser gesteld bij activiteiten met een recreatief karakter geenvoorwaarde dat de risico’s voor de omgeving volledig zijn uitgesloten. Het college moet de risico’s voldoende onderkennen en meenemen in haar afweging om te beoordelen of sprake is van ETFAL.
Volgens het college is de veiligheid van de omgeving met het veiligheidsplan en de daarin opgenomen maatregelen tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht en is daarmee sprake van ETFAL. Het is aan de bestuursrechter om te beoordelen of het college in redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen. Voor de beantwoording van de vraag of het college, kortgezegd, in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat met het verlenen van de omgevingsvergunning voor wat betreft de veiligheid sprake is van ETFAL acht de rechtbank het volgende van belang. Het veiligheidsplan is op zorgvuldige wijze en in overleg met de KHNS tot stand gekomen. In het veiligheidsplan zijn de verschillende risico’s onderkend. Deze risico’s zien op de inrichting van de schietbanen, waarvan het risico op afwijkende pijlen groot onderdeel is door middel van de zes-gradenlijn. Daarnaast zien die op het gedrag van de sportbeoefenaars, terreinbezoekers en buitenstaanders die het terrein ongewenst betreden. Het veiligheidsplan bevat ook veiligheidsmaatregelen die deze risico’s beheersen en het veiligheidsplan is onderdeel van de omgevingsvergunning. Gelet op de totstandkoming en de inhoud van het veiligheidsplan is de rechtbank van oordeel dat het college de veiligheid voldoende heeft meegewogen in haar afweging en in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van ETFAL. Het college heeft daarom ook geen nadere risico-inventarisatie hoeven maken, zoals door eiser betoogd.
200e uitspraak BOPA (rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5736): privaatrechtelijke belemmering, uitvoerbaarheid en minder terughoudende benadering van uitvoerbaarheid onder de Ow
Een interessant aspect aan de 200e BOPA-uitspraak is of er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Daarbij wordt ook ingegaan op het gegeven dat onder de Ow een meer terughoudende benadering wordt voorgestaan als het gaat om de uitvoerbaarheid van omgevingsplannen (en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan).
Op grond van onder oud recht door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ontwikkelde jurisprudentie kan een privaatrechtelijke belemmering in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan In die rechtspraak is als uitgangspunt gehanteerd dat de burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter als eerste moet beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. Alleen in het geval er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter, kan de bestuursrechter vaststellen dat deze aan vergunningverlening in de weg staat. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven (ABRvS 26 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3479). De omgevingsvergunning moet in zo’n geval dus worden geweigerd.
Naast bovenbedoelde rechtspraak over het moeten weigeren van een omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan is er door de Afdeling tegelijkertijd ook rechtspraak ontwikkeld over het begrip ‘aanvraag’ uit art. 1:3, lid 3 Awb en de uitvoerbaarheid van een activiteit. Die rechtspraak geldt voor alle activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en beperkt zich dus niet tot activiteiten voor afwijkingen van een bestemmingsplan. Op grond van die rechtspraak geldt als hoofdregel dat een aanvrager om een omgevingsvergunning in beginsel wordt verondersteld belanghebbend te zijn bij een beslissing op zijn verzoek. Op deze regel wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor situaties waarbij aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt. Bij de beantwoording van de vraag of de voorgenomen activiteit kan worden verwezenlijkt, gaat het in wezen ook om de uitvoerbaarheid van de aangevraagde activiteit. En daarbij kan het dus ook gaan om privaatrechtelijke belemmeringen. Als van zo’n belemmering sprake is, wordt de verzoeker van de omgevingsvergunning niet als belanghebbende aangemerkt en is het verzoek geen aanvraag (ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1704). In zo’n geval moet het verzoek worden afgewezen en kan het dus niet als aanvraag in behandeling worden genomen. De vraag of de omgevingsvergunning moet worden geweigerd komt helemaal niet meer aan de orde als vanwege een privaatrechtelijke belemmering wordt vastgesteld dat het verzoek geen aanvraag is.
Onder de Ow wordt een meer terughoudende benadering voorgestaan als het gaat om de uitvoerbaarheid van omgevingsplannen (en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan). Zo kan worden afgeleid uit de nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit en de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Ow (zie de nota van toelichting bij het Ob, Stb. 2018, 290, p. 105/106 en de memorie van toelichting bij de Ow, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr.3, p. 153). De bepalingen dat in de plantoelichting van een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan aandacht moet worden geschonken aan de uitvoerbaarheid zijn onder de Ow niet teruggekomen (zie art. 3.1.6, lid 1, onder f Bro en art. 5.20 Bor).
De rechtbank laat in deze zaak in het midden of de onder oud recht ontwikkelde jurisprudentielijnen onder de Ow ongewijzigd van toepassing zijn en een verzoek om omgevingsvergunning nog steeds moet worden afgewezen als een activiteit vanwege een privaatrechtelijke belemmering niet kan worden verwezenlijkt of moet worden geweigerd vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering. De rechtbank stelt namelijk vast dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan verwezenlijking van het bouwplan in de weg staat. Eisers hebben slechts één pagina van een notariële akte overgelegd waaruit niet van een privaatrechtelijke belemmering is gebleken voor vergunninghouder om op eigen grond tot aan de erfgrens te bouwen. Uitdrukkelijk is in de akte vermeld dat er geen sprake is van een verbod om te bouwen of te verbouwen. Ter zitting heeft vergunninghouder verklaard dat er geen balken worden verankerd in de scheidingsmuur noch dat in ander opzicht het bouwplan steun zal vinden in of op de muur van eisers. Nog los van de vraag of het dakraam dat in het dakvlak van de aanbouw wordt aangebracht zich bevindt binnen een afstand van twee meter van de erfgrens, biedt het geen direct zicht op het erf van eisers omdat het dakvlak haaks ten opzichte van de erfgrens is georiënteerd.
