Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Brandwerende ramen in de gevel: waar houdt brandveiligheid op en begint de bouwregelgeving?

Een nieuw woonzorgcomplex, vier bouwlagen hoog en goed voor 113 appartementen, lijkt op het eerste gezicht vooral een ontwerp- en uitvoeringsvraagstuk. Maar in de interne hoek van het gebouw ontstond precies daar waar de architectuur de brandveiligheid raakt, een juridisch-technische discussie die inmiddels is uitgekristalliseerd in ATGB-advies 2610. De kern van het geschil: moeten te openen, maar brandwerend uitgevoerde ramen in een buitengevel zelfsluitend zijn om te voldoen aan de eisen voor brandoverslag en weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, of niet?

19 June 2026

De Adviescommissie Toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften, kortweg ATGB, komt in de definitieve uitspraak tot een duidelijk antwoord: nee, die zelfsluitendheid is in deze situatie niet vereist. Daarmee geeft de commissie niet alleen duidelijkheid voor deze specifieke casus, maar ook richting aan een discussie die in de praktijk vaker opduikt bij complexere woongebouwen met binnenhoeken, gevelopeningen en brandoverslagberekeningen.

Binnenhoek als brandveiligheidsvraagstuk

De casus draait om een woonzorgcomplex met een bijzondere gebouwconfiguratie. In het gebouw zijn zorgclusterwoningen opgenomen, deels voor 24-uurszorg en deels voor zorg op afspraak. Juist door de aanwezigheid van interne hoeken in de gevel moest aanvullend worden onderzocht hoe groot het risico op brandoverslag is. Brandoverslagberekeningen lieten zien dat in een aantal situaties maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat brand zich via de gevel van het ene compartiment naar het andere kan verplaatsen.

Daarom worden in delen van de gevel brandwerende voorzieningen toegepast. Sommige gevelopeningen krijgen een brandwerendheid van 30 minuten en worden conform NEN 6069 beoordeeld. Volgens de systematiek van NEN 6068 mag een geveldeel onder voorwaarden dan als “dicht deel” worden beschouwd. De gedachte daarachter is dat een voldoende brandwerend geveldeel, ook als het een te openen raam betreft, in de berekening niet als opening hoeft te tellen zolang aan de normatieve voorwaarden wordt voldaan.

Juist daar zat de frictie. De brandweer stelde zich op het standpunt dat de vereiste wbdbo, de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, onvoldoende kan worden gegarandeerd als de te openen ramen niet zelfsluitend zijn. Een raam dat open kan staan, verliest immers zijn brandwerende werking op het moment dat het geopend is. Vanuit brandveiligheidslogica is die redenering begrijpelijk: brandwerendheid bestaat alleen zolang de afsluiting ook werkelijk gesloten is.

De opdrachtgever wees er echter op dat zelfsluitendheid in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Bbl, alleen expliciet wordt voorgeschreven voor inwendige scheidingsconstructies. Voor uitwendige scheidingsconstructies, zoals gevels, is dat volgens hem niet geregeld. En dus, zo was het standpunt, kon de brandweer die eis niet alsnog via de achterdeur opleggen.

De juridische kern: wat zegt het Bbl eigenlijk?

De discussie raakt aan een klassiek spanningsveld in de bouwregelgeving: wat volgt rechtstreeks uit het besluit, en wat is een interpretatie van de norm? Artikel 4.53 van het Bbl schrijft voor dat nieuwbouw moet voorzien in een wbdbo van ten minste 60 minuten tussen brandcompartimenten. Artikel 4.54 verwijst voor de bepaling van die wbdbo naar NEN 6068.

Verder regelt artikel 4.218 van het Bbl de zelfsluitendheid van beweegbare constructieonderdelen, maar uitsluitend in inwendige scheidingsconstructies. Dat is een belangrijk onderscheid. In deze casus ging het namelijk om ramen in de buitengevel, dus om uitwendige scheidingsconstructies. Het Bbl zelf bevat daar geen algemene zelfsluitende eis voor.

De brandweer probeerde die leemte op te vullen met een functionele redenering: als een brandwerend raam open kan, dan is de brandwerendheid feitelijk niet geborgd en moet het dus zelfsluitend zijn. Maar de ATGB maakt korte metten met die benadering. Volgens de commissie is het niet aan het bevoegd gezag om voorschriften toe te voegen die niet uit het Bbl volgen. De norm mag niet worden opgerekt tot een extra eis die de regelgever daar niet heeft neergelegd.

NEN 6068: opening of dicht deel?

De technische discussie spitste zich vervolgens toe op NEN 6068. In paragraaf 5.2.2 staat dat een deel van een gevel moet worden beschouwd als opening, tenzij het voldoende brandwerend is. In paragraaf 6.4.3 wordt bovendien uitgewerkt dat bij een wbdbo-eis van ten minste 60 minuten een 30 minuten brandwerend geveldeel onder voorwaarden als “dicht” mag worden beschouwd, onder meer als het bereikbaar is voor de brandweer en lager dan 20 meter ligt. In deze casus was aan die voorwaarden voldaan.

De brandweer betoogde echter dat een te openen raam dat in geopende toestand geen brandwerendheid meer heeft, ook niet als dicht deel kan worden gezien. Volgens die redenering moet een beweegbaar onderdeel dat als brandwerend geveldeel wordt ingezet, zichzelf dicht houden. Anders zou de berekening niet stroken met de werkelijkheid.

De ATGB ziet dat anders. De commissie benadrukt dat NEN 6068 geen voorwaarden over zelfsluitendheid bevat voor uitwendige scheidingsconstructies. De norm beschrijft hoe openingen en dichte delen in de berekening moeten worden beoordeeld, maar schrijft niet voor dat een brandwerend raam in de gevel zelfsluitend moet zijn. De opmerking in de norm dat zelfsluitendheid in dit verband niet vereist is, dient volgens de commissie juist als verduidelijking van die lijn.

De rol van de brandweer en de grens van het bevoegd gezag

Interessant in deze casus is niet alleen de uitkomst, maar ook de manier waarop de ATGB de rolverdeling tussen partijen afbakent. De brandweer ziet brandveiligheid terecht als een materieel vraagstuk: een raam dat openstaat, is een risico. Toch betekent dat volgens de commissie niet dat de brandweer een aanvullende bouwtechnische eis kan stellen als die niet volgt uit de regelgeving.

Dat is een belangrijk signaal voor de uitvoeringspraktijk. Gemeenten, brandweer en adviseurs bewegen zich bij complexe projecten vaak in het grensgebied tussen normtoepassing en risicobeoordeling. Daar is ruimte voor interpretatie, maar geen ruimte om zelfstandig nieuwe prestatie-eisen te introduceren. De ATGB wijst er nadrukkelijk op dat artikel 4.218 van het Bbl alleen betrekking heeft op inwendige scheidingen en dus geen basis biedt om de buitengevel aan zelfsluitendheid te onderwerpen.

Daarmee zegt de commissie impliciet iets breders over de bouwregelgeving: brandveiligheid is weliswaar een resultaatverplichting, maar de weg ernaartoe is vastgelegd in een stelsel van limitatieve regels en aangewezen normen. Wie verder wil gaan dan die systematiek, heeft daarvoor een nieuwe juridische grondslag nodig.

De uitkomst: geen zelfsluitendheid verplicht, wel risico onder ogen zien

De conclusie van de ATGB is helder en juridisch strak. De brandwerende gevelopeningen in de buitengevel hoeven in deze casus niet zelfsluitend te worden uitgevoerd. Er is geen andere regelgeving of normering die dat wel eist. Een te openen raam in de buitengevel mag in geopende toestand voor de toepassing van NEN 6068 nog steeds als dicht deel worden beschouwd, zolang aan de voorwaarden van de norm is voldaan.

Tegelijk laat de commissie de brandveiligheidszorgen van de brandweer niet ongemerkt passeren. In haar beschouwing wijst zij erop dat brandwerendheid uiteraard alleen werkt als een raam gesloten is. Maar dat faalrisico is, aldus de ATGB, al sinds het Bouwbesluit 1992 onderdeel van de bouwregelgeving. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om voor uitwendige scheidingsconstructies geen algemene zelfsluitendheidseis vast te leggen. Die keuze betekent dat een zekere faalkans maatschappelijk wordt aanvaard.

Dat is een wezenlijk punt. De commissie legitimeert daarmee niet het loslaten van brandveiligheid, maar wel de bestaande systematiek. Niet elk denkbaar risico wordt in de regelgeving afgedekt met een extra mechanische voorziening. Soms accepteert het stelsel dat veiligheid mede afhankelijk is van gebruik, beheer en feitelijke toestand.

Meer dan een casus

Hoewel het advies is opgesteld voor één specifiek woonzorgcomplex, reikt de betekenis verder. In projecten met binnenhoeken, brandwerende geveldelen en te openen ramen zal deze uitspraak ongetwijfeld worden aangehaald. De kernboodschap is dat de bouwregelgeving streng is, maar ook begrensd. Wie een brandwerend geveldeel volgens de norm toepast, hoeft daar niet automatisch een zelfsluitende voorziening aan te koppelen, zolang het gaat om een uitwendige scheidingsconstructie en de norm zelf die eis niet stelt.

Voor ontwerpers en opdrachtgevers betekent dit meer duidelijkheid bij het maken van keuzes in de ontwerpfase. Voor de brandweer blijft het zaak om bij complexe gebouwvormen vroegtijdig mee te denken over de feitelijke branduitbreiding. En voor juristen en vergunningverleners onderstreept het advies hoe belangrijk het is om onderscheid te blijven maken tussen de normatieve tekst, de toelichting en de grens van aanvullende eisen.

ATGB-advies 2610 is daarmee niet alleen een antwoord op één discussie over ramen in een binnenhoek. Het is ook een herinnering aan de precieze manier waarop het Nederlandse bouwwrecht is ingericht: risico’s worden beoordeeld binnen een stelsel van vastgelegde normen, en waar de wetgever geen zelfsluitendheid voorschrijft, kan die eis niet langs interpretatieve weg alsnog worden ingevoerd.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.