De droogte in Nederland wordt merkbaar zwaarder en dwingt tot keuzes in de verdeling van schaarser zoetwater. Volgens de beantwoording van Kamervragen over de grote rivieren zijn de negatieve gevolgen al zichtbaar in de scheepvaart, de agrarische sector, de natuur, de industrie en de regionale economie. De drinkwatervoorziening is volgens het ministerie nog geborgd, maar maatregelen zoals schutbeperkingen en onttrekkingsverboden zijn al nodig om waterveiligheid, drinkwater en energievoorziening te beschermen.

In de antwoorden op de vragen van BBB-Kamerlid Wiersma schrijft het ministerie dat sprake is van “een stevige droogteperiode” en dat de effecten “helaas steeds merkbaarder” worden.
De scheepvaart, landbouw, natuur, industrie en regionale economie ondervinden volgens de regering nu al negatieve gevolgen. Tegelijk benadrukt het ministerie dat samenwerkende waterbeheerders proberen die schade zoveel mogelijk te beperken.
Bij waterschaarste geldt in Nederland de zogeheten verdringingsreeks, vastgelegd in de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die rangorde bepaalt welke belangen voorrang krijgen.
De volgorde is helder: categorie 1 gaat vóór categorie 2, categorie 2 vóór categorie 3 en categorie 3 vóór categorie 4.
Bovenaan staan:
Daarna volgen onder meer:
Pas later komen onder meer:
Het ministerie zegt dat Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen binnen die wettelijke rangorde regionaal maatregelen treffen om maatschappelijke en economische schade te beperken.
Het kabinet erkent dat droogte een grensoverschrijdend probleem is. Dat speelt volgens de beantwoording zowel in het Rijnstroomgebied als in het Maasstroomgebied.
Nederland wijst erop dat het afhankelijk is van rivierwater uit bovenstrooms gelegen landen, maar dat omgekeerd ook die landen afhankelijk zijn van voldoende zoetwater in Nederland voor de bevaarbaarheid van rivieren en hun industriële bevoorrading.
De regering zegt het beeld niet te herkennen dat de waterverdeling nu niet rechtvaardig zou zijn. Wel benadrukt zij het belang van internationale samenwerking via onder meer de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn en de Internationale Maascommissie.
Sinds 2018 is de droogteproblematiek daar nadrukkelijk op de agenda gezet. Binnen die gremia wordt gewerkt aan gezamenlijke klimaatstudies, kennisuitwisseling en afspraken over laagwater. Voor de Maas bestaan al afspraken tussen Vlaanderen en Nederland in het Maasafvoerverdrag.
Op vragen over extra stuwen, sluizen en andere waterbergende maatregelen antwoordt het kabinet dat het bereid is onderzoek te laten doen naar het beter vasthouden van zoetwater.
Het Deltaprogramma Zoetwater werkt sinds 2012 aan het beperken van zoetwatertekorten. Daarbij wordt gekeken naar onder meer:
Ook in het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 wordt gewerkt aan betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. Voor de Waal noemt het ministerie een meergeulensysteem in combinatie met sedimentaanvulling als “de enige maatregel” die de bodem structureel kan stabiliseren én tegelijk bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere zoetwaterverdeling.
Tegelijk waarschuwt het kabinet dat het hoofdwatersysteem niet overal en altijd watertekorten kan voorkomen, ook niet met extra maatregelen. Nederland zal zich volgens de beantwoording structureel moeten aanpassen aan veranderende omstandigheden.
Het ministerie noemt het IJsselmeer de grootste buffer in het hoofdwatersysteem. Volgens de beantwoording heeft deze buffer deze zomer geholpen om de noordelijke regio langer te ontzien van de ergste effecten van droogte.
Voor zoetwaterbuffers buiten het hoofdwatersysteem ligt de verantwoordelijkheid volgens het kabinet niet bij het Rijk, maar bij de regio’s zelf. Wel wil het Rijk regionale waterbeheerders, gemeenten, natuurbeheerders en agrariërs stimuleren om kansen voor meer sponswerking van de bodem te benutten.
De beantwoording maakt duidelijk dat water dat in natuurgebieden wordt vastgehouden niet automatisch inzetbaar is voor landbouw of andere functies. Een deel verdampt, een deel zakt weg naar diepere ondergrond en een deel stroomt door naar omliggende landbouwgebieden via drainage.
Tegelijk erkent het ministerie dat natuurgebieden, veengebieden, moerassen, natte bossen, uiterwaarden en retentiegebieden kunnen functioneren als “natuurlijke sponzen”.
De kern van de boodschap: natuurlijke buffers zijn belangrijk, maar in droge periodes blijft de verdeling van water afhangen van de wettelijke verdringingsreeks.
De minister geeft in de brief aan de Tweede Kamer mede namens de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur antwoord op de vragen van Wiersma over “water grote rivieren”.
In die beantwoording staat vooral één lijn centraal: Nederland heeft te maken met groeiende droogte, de beschikbare hoeveelheid zoetwater is beperkt, en de verdeling daarvan wordt in crisistijd bepaald door een wettelijke rangorde waarin veiligheid en drinkwater voorrang hebben op landbouw, scheepvaart en andere belangen.
