In twee recente uitspraken kristalliseert de eerste rechtspraak over de verhouding tussen de Omgevingswet en artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn zich verder uit. Wat speelde er?

In een uitspraak van 11 mei 2026 gaat de rechtbank Den Haag in op mobiele bodemberoerende visserij in het Natura 2000-gebied Doggersbank (ECLI:NL:RBDHA:2026:10791). Artikel 11.16, aanhef en onder b, van het Bal maakt een categorische uitzondering op de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten wanneer het gaat om visserij-activiteiten die onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallen en plaatsvinden in de EEZ. De rechtbank verwerpt eerst het standpunt van verweerder dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn — en de daaruit voortvloeiende toestemmingsplicht — niet van toepassing is in de EEZ. Artikel 11.16 Bal maakt dat activiteiten nu mogen plaatsvinden, terwijl geen passende beoordeling is gemaakt van de effecten daarvan. Een dergelijke categorische uitzondering verdraagt zich niet met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Artikel 11.16, onder b, Bal is daarom onverbindend.
In een uitspraak van 22 april 2026 gaat de rechtbank Overijssel in op omgevingsvergunningen voor de bouw van vijftien monomestvergisters (ECLI:NL:RBOVE:2026:2226). De rechtbank gaat daarbij uitvoerig in de toelaatbaarheid onder de Habitatrichtlijn voor het loslaten onder de Omgevingswet van de onlosmakelijke samenhang en de aanhaakplicht die golden onder de Wabo. Het systeem van de Omgevingswet is namelijk gebaseerd op de gedachte dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel of niet gelijktijdig een aanvraag doet. Omdat de onlosmakelijke samenhang niet meer geldt en de aanhaakplicht niet meer van toepassing is, kunnen vergunninghouders een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op een nader moment aanvragen. Het betoog dat de Omgevingswet vanwege deze loskoppeling in strijd is met de Habitatrichtlijn volgt de rechtbank niet. Het loskoppelen van de vergunningaanvragen leidt er namelijk niet toe dat zonder natuurtoestemming mag worden gehandeld. Indien een natuurvergunning noodzakelijk is, dienen vergunninghouders die alsnog aan te vragen; handelen zij zonder de benodigde vergunning, dan kan dat via een handhavingstraject worden afgedwongen.
Kortom: het loslaten van de aanhaakplicht en de onlosmakelijke samenhang kan de toets aan de Habitatrichtlijn doorstaan, maar de categorische uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 11.16, onder b, Bal niet.
Voor beide zaken staat hoger beroep open. Interessant om te volgen wat daaruit komt en hoe het nieuwe stelsel van de Omgevingswet zich verder laat toetsen aan de Habitatrichtlijn.
