Een recente uitspraak van de ATGB laat zien hoe bepalend de indeling in gebruiksfuncties kan zijn voor de vraag of een brandmeldinstallatie (BMI) verplicht is. In de betreffende casus speelde een discussie over een bestaand winkelpand waarin een tweedehands kledingwinkel zich vestigt. De veiligheidsregio vond dat een BMI verplicht was, terwijl de brandveiligheidsadviseur tot een andere conclusie kwam. De ATGB gaf uiteindelijk de adviseur gelijk.

Het pand bestaat uit meerdere onderdelen: een winkelruimte met paskamers, een kantoorruimte met zolder, diverse magazijnen en een kelder met inpakafdeling. Vanuit de winkel zijn drie vluchtroutes beschikbaar en vanuit de kelder twee. Volgens de veiligheidsregio moest alles worden gezien als één winkelfunctie. Daardoor zou de totale gebruiksoppervlakte boven de grens van 1.000 m² uitkomen en zou op grond van artikel 3.115 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) een brandmeldinstallatie verplicht zijn.
De brandveiligheidsadviseur keek daar anders naar. Volgens hem was sprake van meerdere gebruiksfuncties binnen hetzelfde pand: een winkelfunctie, een kantoorfunctie en een industriefunctie voor de magazijnen en de inpakruimte. Daardoor bleef iedere afzonderlijke gebruiksfunctie onder de grenswaarden uit het Bbl.
De kern van de uitspraak zit in de vraag hoe fijnmazig een gebouw mag worden ingedeeld in gebruiksfuncties. De ATGB benadrukt dat gebouweigenaren en gebruikers hierin een zekere keuzevrijheid hebben, zolang de gekozen indeling niet strijdig is met het feitelijke gebruik van de ruimten.
In deze situatie accepteerde de commissie de verdeling in winkel-, kantoor- en industriefuncties. Vooral het magazijn in de kelder speelde daarbij een belangrijke rol. Dat magazijn was uitsluitend bedoeld voor opslag en niet toegankelijk voor winkelend publiek. Volgens de ATGB kan zo’n ruimte daarom worden aangemerkt als industriefunctie en hoeft deze niet automatisch onderdeel te zijn van de winkelfunctie.
Daarmee bleef de winkelfunctie beperkt tot circa 645 m², bleef de kantoorfunctie onder 500 m² en bleef ook de industriefunctie ruim beneden de grens van 2.500 m². Geen van de afzonderlijke gebruiksfuncties overschrijdt dus de drempel waarvoor een BMI verplicht wordt gesteld.
Opvallend is dat in het pand eerder wel een brandmeldinstallatie aanwezig was. Volgens het bevoegd gezag ondersteunde dat de gedachte dat een BMI noodzakelijk was. De ATGB maakt echter duidelijk dat dit argument juridisch weinig betekenis heeft. Niet het historische gebruik, maar het huidige gebruik van het gebouw bepaalt welke eisen van toepassing zijn.
Ook de discussie over de vluchtroutes bleek uiteindelijk niet doorslaggevend. Het Bbl noemt wel dat gebruiksfuncties die op dezelfde vluchtroute zijn aangewezen gezamenlijk bekeken moeten worden, maar in deze casus speelde dat geen rol meer. Omdat de afzonderlijke gebruiksfuncties op zichzelf al onder de grenswaarden bleven, ontstond überhaupt geen verplichting voor een brandmeldinstallatie.
De uitspraak is relevant voor eigenaren, adviseurs en bevoegd gezag bij de herontwikkeling van bestaande gebouwen. Vooral bij winkelpanden met ondersteunende functies zoals opslag, kantoor of logistiek ontstaat regelmatig discussie over de vraag welke gebruiksfunctie leidend is. Deze casus bevestigt dat niet automatisch het hele gebouw als één winkelfunctie hoeft te worden beschouwd.
Tegelijkertijd laat de uitspraak zien dat een goede onderbouwing essentieel blijft. De gekozen indeling moet logisch aansluiten op het feitelijke gebruik van de ruimten. Zodra ruimtes wel rechtstreeks onderdeel zijn van het winkelproces of toegankelijk zijn voor publiek, kan de beoordeling anders uitvallen.
