De laatste tijd worden er steeds meer uitspraken gewezen over hoe na het vervallen van de eis van onlosmakelijke samenhang en de aanhakingsplicht moet worden omgegaan met beroepsgronden die zien op het bij een (B)OPA ontbreken van een wellicht noodzakelijke omgevingsvergunning voor een Flora- en Fauna- dan wel Natura 2000-activiteit (art. 5.1, lid 2, onder g Ow respectievelijk art. 5.1, lid 1, onder e Ow).

Artikel 5.7 lid 1 Omgevingswet (Ow) bepaalt namelijk dat een aanvraag om een omgevingsvergunning naar keuze van de aanvrager op één of meer activiteiten betrekking kan hebben. In art. 5.7 lid 1 Ow is dus het uitgangspunt vervat dat de aanvrager volledige vrijheid heeft bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de activiteit of activiteiten waarvoor hij een omgevingsvergunning nodig heeft. Hij kan ervoor kiezen om voor elke activiteit afzonderlijk een omgevingsvergunning aan te vragen, of voor verschillende activiteiten tegelijk. De Ow biedt de aanvrager hiermee flexibiliteit. Voor meer achtergronden over de beweegredenen van de wetgever inzake het laten vervallen van de onlosmakelijke samenhang wordt verwezen naar mijn artikel 'Verlost' van de onlosmakelijke samenhang: maar hoe nu verder?', Land- en Tuinbouwbulletin (LTB), maart 2026/16.
Ondanks het vervallen van het vereiste van onlosmakelijke samenhang geldt er bij de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en bij de omgevingsplanactiviteit (OPA) binnenplans afwijken wel een (on)uitvoerbaarheidstoets in het kader van de toetsing van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In dat verband moet toch worden bekeken of het project al dan niet onuitvoerbaar kan zijn vanwege de aspecten Flora- en fauna en Natura 2000. Hierna wordt een tussenstand gegeven hoe deze (on)uitvoerbaarheidstoets in de jurisprudentie tot nog toe wordt toegepast.
GEEN (ON)UITVOERBAARHEIDSTOETS FLORA- EN FAUNA OF NATURA 2000 BIJ OPA BOUW, DE TECHNISCHE BOUWACTIVITEIT, ART. 22.8 OPA (GEMEENTELIJKE VERORDENING) EN OPA AANLEGACTIVITEITEN
De rechtbank Amsterdam heeft in een uitspraak van 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8259 bevestigd dat bij de OPA Bouw (artikel 5.1, lid 1, onder a Ow jo. artikel 22.26 van het omgevingsplan) en bij de technische bouwactiviteit (artikel 5.1, lid 2, onder a Ow) geen sprake is van een (on)uitvoerbaarheidstoets aan de aspecten Flora- en Fauna en Natura 2000. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken en de technische bouwactiviteit voldoen volgens het college aan de beoordelingsregels van respectievelijk artikel 5.21 en 5.20 Ow. Daarom is de omgevingsvergunning voor beide activiteiten verleend. Bidfood stelt zich op het standpunt dat het college de Rendac-uitspraak (inzake stikstof, YS) had moeten betrekken bij de heroverweging in bezwaar, omdat het bestreden besluit na deze datum is genomen en deze uitspraak dus bij het college bekend had moeten zijn. Uit de Rendac-uitspraak blijkt dat intern salderen in het kader van onderzoek naar stikstofdepositie bij projecten niet langer is toegestaan, tenzij er een natuurvergunning wordt aangevraagd. Daarom had het college volgens Bidfood geen omgevingsvergunning aan Marktkwartier kunnen verlenen zonder natuurvergunning. De vergunning voor bouwen had in het besluit op bezwaar alsnog moeten worden geweigerd, of de heroverweging van de rechtmatigheid van de verleende vergunning had moeten worden aangehouden totdat er beslist zou zijn op de aanvraag om een natuurvergunning. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Of Marktkwartier wel of geen natuurvergunning nodig heeft, is in deze zaak niet van belang omdat het hier alleen gaat om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken en de technische bouwactiviteit. Indien nodig kan Marktkwartier los van deze procedure nog een omgevingsvergunning aanvragen voor een Natura-2000 activiteit. Artikel 5.7 Omgevingswet biedt die mogelijkheid.
In de uitspraak Rb. Zeeland West-Brabant 9 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1349 oordeelt de voorzieningenrechter dat hij niets kan doen aan het vermoeden dat de vergunninghouder wellicht de vereiste Natura 2000-activiteit niet zal gaan aanvragen. Zoals hiervoor uitgelegd, is het onder de Ow niet meer verplicht om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bepaald type activiteit gelijktijdig ook voor andere eventueel noodzakelijke activiteiten een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit heeft tot gevolg dat voor de voorzieningenrechter in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de gevraagde en verleende activiteiten ter beoordeling voor ligt. De voorzieningenrechter kan zich niet uitlaten over de vraag of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de Natura 2000 activiteit noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend. Zelfs als hij zou vinden dat naar zijn voorlopig oordeel voor het bouwen van een distributiecentrum ook nog een omgevingsvergunning voor de Natura 2000 activiteit moet worden aangevraagd en verleend, tast dit de rechtmatigheid van de voorliggende vergunning (een OPA, YS) niet aan. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de verzuchting van verzoekers dat het huidige wettelijke systeem het lastig maakt om als belanghebbende daadkrachtig op te treden of daadkrachtig optreden af te dwingen tegen vergunde bouwwerkzaamheden als de vergunning voor de Natura 2000-activiteit ontbreekt en die mogelijk wel nodig is. Dat is inherent aan de wetgeving en dat kan de voorzieningenrechter niet oplossen.
Ook bij een omgevingsvergunning voor een kappen van een boom op grond van een gemeentelijke verordening, en op grond van artikel 22.8 Ow is dit automatisch een omgevingsplanactiviteit in de zin van art. 5.1, lid 1, onder a Ow, is er geen sprake van een (on)uitvoerbaarheidstoets. Dit volgt bijvoorbeeld uit een uitspraak van 6 februari 2026 van de rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2026:519. De rechtbank oordeelt dat de onlosmakelijke samenhang is verdwenen uit de Ow. Daardoor kon bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het kappen van een boom de vraag of een Flora- en fauna-activiteit (art. 5.1, lid 2, onder g Ow) nodig is niet aan de orde komen. Onder de Ow is de zogenoemde onlosmakelijke samenhang zoals die gold onder de Wabo komen te vervallen. Dit heeft tot gevolg dat de voorzieningenrechter nu alleen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit “kappen” kan beoordelen en niets kan zeggen over flora en fauna-activiteiten. De argumenten van verzoekster over ecologische gevolgen vallen dus buiten de reikwijdte van deze procedure.
Zie in deze zin ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3078, die handelde over een omgevingsplanactiviteit voor het kappen van een boom. Hier wordt geen uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd ten aanzien van een mogelijk noodzakelijke Flora- en fauna-activiteit. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit ‘het vellen van een boom’ (een kapvergunning). Vergunninghoudster heeft alleen voor deze omgevingsplanactiviteit een vergunning gevraagd en gekregen. Gelet op hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, begrijpt de voorzieningenrechter het zo dat verzoekers menen dat voor het kappen van de populieren óók een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is omdat de essentiële vliegroute van de vleermuizen wordt aangetast en uit het ecologisch werkprotocol niet blijkt hoe deze vliegroute wordt gecompenseerd. Het systeem van de Ow is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Dit heeft tot gevolg dat voor de rechtbank in deze procedure alleen de kapvergunning ter beoordeling voor ligt. Hiervoor is dus alleen het stelsel van weigeringsgronden uit art. 4:11b van de APV relevant en niet of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de flora- en fauna-activiteit uit art. 5.1, lid 2, onder g Ow, noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend.
In de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13197 was een kapvergunning op grond van een gemeentelijke verordening aan de orde, die vanwege art. 22.8 Ow wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (art. 5.1, lid 1, onder a Ow). Interessant is dat de rechtbank hier oordeelt dat wel een vergunningvoorschrift mag worden opgenomen in die zin dat het vellen van de bomen niet eerder mag plaatsvinden alvorens is voldaan aan alle eisen en voorwaarden uit de Ow betreffende Flora- en fauna-activiteiten. Volgens verzoekster is onvoldoende geborgd dat de kap niet plaatsvindt terwijl broedactiviteiten van vogels plaatsvinden. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de vergunning als voorschrift 3 is verbonden dat het vellen van de bomen niet eerder mag plaatsvinden dan nadat is voldaan is aan alle eisen en voorwaarden uit de Ow betreffende flora- en fauna-activiteiten. Dat betekent onder meer dat een ecologisch deskundige onderzoek moet doen voorafgaand aan het kappen van een boom en dat een boom niet mag worden gekapt als er broedactiviteiten van vogels plaatsvinden. Het college stelt dat in dit geval een ecologisch deskundige aan vergunninghoudster heeft aangegeven dat geen sprake is van nestvorming in de bomen, waardoor wat dat betreft het vellen van de houtopstanden doorgang kan vinden. Uit de stukken blijkt dat het onderzoek door de ecoloog op 14 april 2024 heeft plaatsgevonden. Aangezien sindsdien ruim een maand is verstreken, is naar voorlopig oordeel een nieuwe inspectie door een ecoloog aangewezen om alsnog aan voorschrift 3 van de omgevingsvergunning te voldoen. Vergunninghoudster heeft op de zitting toegezegd dat een nader ecologisch onderzoek zal worden uitgevoerd voordat de bomen worden gekapt. Daarmee is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat aan voorschrift 3 van de omgevingsvergunning wordt voldaan.
Ook bij een binnenplanse omgevingsplanactiviteit aanleggen (op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Ow jo. de omgevingsplanregels) zijn Natura 2000-aspecten niet aan de orde. Dit volgt uit de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 januari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:209. Initiatiefnemer heeft géén vergunning aangevraagd bij GS voor een Natura 2000-activiteit en een flora- en fauna-activiteit. Hierdoor zou het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit aanleggen in strijd zijn met de integrale doelstelling van de Ow. De rechtbank stelt voorop dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd. In art. 8.0a lid 1 Bkl is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend indien de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de vergunning. Het college hoeft daarom uitsluitend te toetsen aan de regels voor de aangevraagde activiteit (de verharding en drainage) die in het omgevingsplan zijn gesteld. Eisers stellen dat B & W op grond van art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn zelf verplicht is een passende beoordeling te maken van de mogelijke significante effecten van het project op het Natura 2000-gebied. Dit zou volgen uit het Kokkelvisserij-arrest (ECLI:EU:C:2004:482). De rechtbank oordeelt dat B & W niet zelf verplicht is een passende beoordeling te maken van de mogelijke effecten van de activiteit op het Natura 2000-gebied. Dit kan ook niet worden afgeleid uit het Kokkelvisserij-arrest. De bevoegdheid om te beoordelen of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of flora- en fauna-activiteit is vereist, ligt bij GS. Dat onder de Ow voor verschillende activiteiten afzonderlijk een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd, betekent niet dat sprake is van strijd met de Habitatrichtlijn. De noodzakelijke toetsing en passende beoordeling blijven namelijk vereist voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het beschikken over de vereiste vergunningen voor alle activiteiten die hij verricht. Indien dit niet het geval is, kan hiertegen handhavend worden opgetreden. In deze zaak ligt uitsluitend de omgevingsvergunning voor het aanleggen van verhard oppervlak en drainage ten behoeve van bomenteelt voor. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen valt hier niet onder. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de bomenteelt sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
Als in de omgevingsplanregels voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit aanleggen echter als beoordelingsregel is opgenomen dat B & W moet beoordelen of er significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn te verwachten dienen er wél AERIUS-berekeningen te worden uitgevoerd (Rb. Gelderland 9 januari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:191). Deze casus is een voorbeeld van een geval waarbij er bij een binnenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van art. 8.0a lid 1 Bkl weliswaar sprake is van een limitatief-imperatief toetsingskader, maar het omgevingsplan een dermate ruime afwegingsruimte bevat dat bepaalde zaken als significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied dus toch wél een rol spelen. In de nota van toelichting (Staatsblad 2020, nr. 400, p. 1612) is hieromtrent beschreven dat buiten het gelimiteerde stelsel van beoordelingsregels in het omgevingsplan géén andere gronden kunnen worden aangevoerd om de vergunning te weigeren. De opzet van art. 8.0a lid 1 Bkl laat derhalve onverlet dat de beoordelingsregels in meer of mindere mate beslissingsruimte kunnen geven aan het bevoegd gezag. In eventuele afwegingsruimte moet in het omgevingsplan dus zelf zijn voorzien. Naarmate de beslissingsruimte van die regels groter is, beperkt dat vanzelfsprekend het imperatieve karakter en ontstaat binnen de beoordelingsregels van het omgevingsplan de ruimte voor een afweging per afzonderlijke omgevingsplanactiviteit. Verzoeker voert – kort samengevat – aan dat het college de vergunning niet had mogen verlenen in verband met de regels over stikstof. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in art. 17.2, onder c, is bepaald dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als er geen sprake is van significante gevolgen voor gebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) als beschermde gebieden worden aangemerkt. Gelet op het feit dat de Wnb ondertussen is vervallen, begrijpt de voorzieningenrechter deze planbepaling zo dat de vergunning geweigerd moet worden als significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. In het bestreden besluit heeft het college echter helemaal niet beoordeeld of en zo ja welke gevolgen er zijn voor Natura 2000-gebieden. Het bestreden besluit bevat dan ook een gebrek. Het is voor de voorzieningenrechter niet duidelijk of dit gebrek hersteld kan worden. Het is op dit moment namelijk niet vast te stellen of de (aanleg)werkzaamheden die in het bestreden besluit zijn vergund stikstofdepositie veroorzaken op een Natura 2000-gebied en of er significante negatieve effecten te verwachten zijn. Voor deze omgevingsvergunning zijn namelijk geen AERIUS-berekeningen verricht. Dit had wel gemoeten, omdat anders niet is vast te stellen of en zo ja welke gevolgen er zijn voor Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorziene (aanleg)werkzaamheden. Als er wel significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn, dan is het college immers gehouden de omgevingsvergunning te weigeren op grond van art. 17.2, onder c, van het bestemmingsplan. Kortom, het college had gelet op art. 17.2, onder c, van het bestemmingsplan nader onderzoek moeten verrichten naar stikstofdepositie als gevolg van de aangevraagde werkzaamheden, omdat het college (als zou blijken dat sprake is van significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden) de omgevingsvergunning zou moeten weigeren. De voorzieningenrechter schorst daarom het bestreden besluit, omdat op dit moment onvoldoende duidelijk is of het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren wegens strijd met art. 17.2, onder c, van het bestemmingsplan. Het college zal, hangende bezwaar, aan vergunninghouder moeten vragen om AERIUS-berekeningen te (laten) verrichten voor specifiek de vergunde aanlegwerkzaamheden om op die manier inzichtelijk te krijgen of als gevolg van de vergunde werkzaamheden significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden te verwachten zijn.
WEL (ON)UITVOERBAARHEIDSTOETS BIJ DE BOPA, EN OOK BIJ DE OPA (BINNENPLANS AFWIJKEN)
Ten aanzien van de BOPA zijn er al meerdere uitspraken gedaan over het feit dat vanwege de toets aan het criterium van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) wel aan de orde moet komen of het project uitvoerbaar is en daardoor toch een bepaalde doorkijk moet worden gegeven naar de aspecten Flora- en fauna en Natura 2000 (hoe ver deze toets gaat wordt in de volgende paragraaf beschreven). De ETFAL-toetsing volgt uit art. 5.21 lid 2, onder b Ow en art. 8.0a lid 2 Bkl. Eerst was nog de vraag of ook bij een OPA, waarbij toepassing wordt gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan, ook deze (on)uitvoerbaarheidstoets geldt. Op grond van artikel 22.281 van het omgevingsplan moet immers (tot dat er een nieuw deel van het omgevingsplan is vastgesteld) ook bij de OPA binnenplans afwijken worden getoetst aan het ETFAL-criterium.
Op 9 maart 2026 heeft de rechtbank Zeeland West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2026:1349) overwogen dat voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit (waar vanwege artikel 22.281 bruidsschat - totdat er nieuw omgevingsplan - wordt vastgesteld nog beleidsvrijheid bestaat en dus aan ETFAL moet worden getoetst) ook de (on)uitvoerbaarheidstoets voor Flora- en Fauna- en Natura 2000-activiteiten geldt. Het systeem van de Ow is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Als de vzr. in de termen van de Ow vertaald wat verzoekster in haar verzoek naar voren heeft gebracht, komt het er kortgezegd op neer dat zij meent dat voor de bouw van het distributiecentrum óók een omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit noodzakelijk is. Bij de bouw en het gebruik van dit gebouw komt immers stikstof vrij die invloed kan hebben op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Dat is echter niet de activiteit waarvoor hier vergunning is gevraagd en gekregen. Zoals hiervoor uitgelegd, is het onder de Ow ook niet meer verplicht om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bepaald type activiteit gelijktijdig ook voor andere eventueel noodzakelijke activiteiten een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit heeft tot gevolg dat voor de vzr. in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de gevraagde en verleende activiteiten ter beoordeling voor ligt. De vzr. kan zich niet uitlaten over de vraag of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de Natura 2000 activiteit noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend. Zelfs als hij zou vinden dat naar zijn voorlopig oordeel voor het bouwen van een distributiecentrum ook nog een omgevingsvergunning voor de Natura 2000 activiteit moet worden aangevraagd en verleend, tast dit de rechtmatigheid van de voorliggende vergunning niet aan. Omdat het gaat om een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA) moet bij de beoordeling van ETFAL wel worden gemotiveerd waarom de Natura 2000-activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. In het kader van de beoordeling of toepassing kan worden gegeven aan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid moet getoetst worden of voldaan blijft worden aan ETFAL. Dit kan betekenen dat een vergunning niet kan worden verleend als evident is dat de vergunde ontwikkeling niet plaats kan vinden omdat een vereiste vergunning voor een Natura 2000-activiteit niet kan worden verleend. De vzr. constateert enerzijds dat de hiervoor relevante afwijking slechts bestaat uit een 40 centimeter hogere bouwhoogte en een perceelafscheiding die 1 meter hoger wordt dan rechtstreeks passend in het omgevingsplan en dat er anderzijds een stikstofberekening ligt en een rapport van bevindingen van de Omgevingsdienst Brabant Noord waarin wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit. Verzoekers plaatsen hier kritische kanttekeningen bij. Dit maakt echter wel dat het niet evident is dat er toch een vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig is om op grond daarvan tot het oordeel te komen dat de bestreden vergunning niet verleend mocht worden.
HOE PAST DE RECHTSPRAAK DE (ON)UITVOERBAARHEIDSTOETS FLORA- EN FAUNA EN NATURA 2000 TOE?
Er zijn inmiddels al enkele uitspraken voorhanden over hoe ver de (on)uitvoerbaarheidstoets bij een BOPA reikt (en voor de OPA binnenplans afwijken geldt hiervoor hetzelfde zoals hiervoor is te lezen).
Over de relatie tussen de Natura 2000-activiteit (art. 5.1 lid 1 onder e Ow), de Flora- en fauna-activiteit (art. 5.1 lid 2 onder g Ow) en de BOPA ziet de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3574. Het is aan de aanvrager om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de BOPA wordt aangevraagd. Verzoekster heeft de Natura 2000-activiteit en de flora- en fauna-activiteit niet aangevraagd bij GS. Deze activiteiten vallen dus buiten de reikwijdte van de BOPA. Desondanks moet het college bij de beoordeling van ETFAL wel motiveren of deze twee activiteiten niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maken. Dit betreft de (on)uitvoerbaarheidstoets. Afhankelijk van de aard van het project en de impact daarvan op de fysieke leefomgeving kan het in het kader van de uitvoerbaarheidstoets nodig zijn om een Quickscan uit te (laten) voeren. De uitvoerbaarheidstoets gaat echter niet zo ver dat bij alle BOPA’s een Quickscan nodig is. In voorkomende gevallen kan het college in het kader van de uitvoerbaarheidstoets namelijk ook volstaan met een kwalitatieve beoordeling (een vergelijking van de oude en nieuwe situatie). In dit geval zijn de aspecten soortenbescherming en gebiedsbescherming kwalitatief beoordeeld. Voor gebiedsbescherming is overwogen dat de afstand tussen de projectlocatie en het met stikstof overbelaste Natura 2000-gebied de Veluwe op zijn minst 4,5 kilometer is en dat het zo’n kleinschalig project is, dat het niet aannemelijk is dat een vergunning nodig is voor de Natura 2000-activiteit, laat staan dat de eventueel benodigde vergunning op voorhand in de weg zou staan aan de uitvoerbaarheid van deze omgevingsvergunning. Voor wat betreft de flora- en fauna-activiteit is gemotiveerd dat het hier gaat om een project waarvoor niet hoeft te worden gekapt en dat de woonunit wordt geplaatst op reeds afgegraven grond waarop een fundering is aangebracht. De containers en het meterkastgebouwtje komen op verharde grond. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat geen beschermde flora- en faunawaarden in het geding zijn, laat staan dat op voorhand duidelijk is dat de eventueel benodigde toestemming op voorhand in de weg staat aan deze omgevingsvergunning. In voorliggend geval kon in het kader van de uitvoerbaarheidstoets dus worden volstaan met een kwalitatieve beoordeling van de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming en was een Quickscan niet benodigd.
De rechtbank Gelderland deed later, op 2 september 2025, nog een vergelijkbare uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2025:7393). Vooropgesteld wordt dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de BOPA wordt aangevraagd. Vergunninghoudster heeft de Natura 2000-activiteit niet aangevraagd. In principe valt deze activiteit buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning. Desondanks moet het college bij de ETFAL-beoordeling wel motiveren waarom deze activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt (de uitvoerbaarheidstoets). Uit de ruimtelijke onderbouwing en de AERIUS-berekeningen bij de vergunningaanvraag volgt dat de aanleg en het gebruik van de 35 woningen niet tot stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied leiden. Reeds daarom is er volgens het college geen vergunning nodig voor een Natura 2000-activiteit en is de omgevingsvergunning wat dit aspect betreft niet op voorhand onuitvoerbaar. Een dergelijke beoordeling is in het kader van de uitvoerbaarheidstoets voldoende. Verzoekers betwisten de AERIUS-berekeningen weliswaar, maar het voert in het kader van de door Burgemeester & Wethouders (B & W) te verrichten uitvoerbaarheidstoets te ver om de AERIUS-berekeningen uitgebreid te beoordelen. B & W mag in het kader van de uitvoerbaarheidstoets (als AERIUS-berekeningen zijn uitgevoerd) in principe uitgaan van de juistheid daarvan, tenzij eenvoudig zonder onderzoek is vast te stellen dat deze (evident) onjuist zijn. Een andere uitleg zou tot gevolg hebben dat B & W alsnog feitelijk aan het beoordelen is of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig is, terwijl die bevoegdheid (meestal) bij GS is belegd. Het voorgaande betekent overigens niet dat verzoekers in zijn geheel geen rechtsbeschermingsmogelijkheden hebben om de juistheid van de AERIUS-berekeningen ter discussie te stellen. Mochten verzoekers menen dat sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, dan is de aangewezen weg om een handhavingsverzoek bij het bevoegd gezag, veelal GS, in te dienen (zie ook: ECLI:NL:RBOBR:2025:5801). Een voorbeeld van een geval waarbij inderdaad al een dergelijk handhavingsverzoek is ingediend ten aanzien van de vraag of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig was (terwijl enkel een BOPA is aangevraagd) was aan de orde in de uitspraak Rb. Zeeland West-Brabant 5 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6636.
In de uitspraak rechtbank Gelderland 24 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2322, werd een Quickscan Flora- en Fauna beoordeeld in het kader van de (on)uitvoerbaarheidstoets bij de BOPA. De vzr. stelt voorop dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de BOPA wordt aangevraagd. Het COA heeft de vergunning voor de flora- en fauna-activiteit inmiddels ook aangevraagd bij GS. In principe valt deze activiteit buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning (de BOPA, YS) en eisers hun zorgen over de effecten van de komst van de opvanglocatie voor de flora en fauna aankaarten bij GS. Desondanks moet bij de beoordeling van ETFAL wel worden gemotiveerd waarom de activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maken (uitvoerbaarheidstoets). In dit geval is het aspect soortenbescherming beoordeeld aan de hand van een Quickscan en een aanvullend onderzoek. Het college ziet op basis daarvan geen redenen dat de provincie de benodigde vergunning niet zou kunnen verlenen. In het kader van de uitvoerbaarheidstoets is een dergelijke beknopte beoordeling voldoende. De voorzieningenrechter is dan ook met het college van oordeel dat het aspect soortenbescherming de uitvoering van het project op voorhand niet onmogelijk maakt.
Ook in de uitspraak rechtbank Noord-Holland 16 oktober 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:11882) was een Quickscan Flora- en fauna aan de orde in het kader van de ETFAL-toetsing bij een BOPA. Het COA heeft geen aanvraag gedaan voor de flora- en fauna-activiteit, zodat die met het bestreden besluit ook niet is vergund en zodoende in deze procedure ook niet voorligt. Het college was in dit verband slechts gehouden om de aangevraagde activiteiten te weigeren als en voor zover het op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Bij de aanvraag heeft het COA een Quickscan Ecologie ingediend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het project de lat van uitvoerbaarheid op voorhand evident niet haalt, zonder verder diepgaand onderzoek. Geconcludeerd is dat er mogelijk functies voor beschermde soorten in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig zijn. Daarbij bevinden die functies zich volgens de Quickscan wel buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Aantasting van beschermde functies en daarmee schending van het wettelijk soortenbeschermingsregime kan verder worden voorkomen mits de mitigerende maatregelen worden gevolgd. Indien de gevolgen voor(functies voor) beschermde soorten in de uitvoeringsfase alsnog intreden, is het aan de vergunninghouder om de nodige vervolgstappen de nemen, zoals bijvoorbeeld een aanvraag voor een flora- en fauna-activiteit. In het licht van de toets die de voorzieningenrechter hier verricht, lijkt het standpunt van het college dat de projectlocatie niet in of direct grenzend aan een Natura-2000 gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of de Ecologische hoofdstructuur (EHS) ligt, en dat uit de Quickscan volgt dat geen nadelige directe effecten als gevolg van het project op die gebieden worden verwacht, evenmin evident onrechtmatig. Hier komt bij dat voor zowel de realisatie- als de gebruiksfase de effecten middels AERIUS-berekeningen nog in beeld worden gebracht.
De rechtbank Rotterdam heeft op 3 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4563 ook een uitspraak gedaan in hoeverre de uitvoering van het project waarvoor de BOPA is verleend uitvoerbaar is vanwege het aspect van een eventueel benodigde Flora- en fauna-activiteit. Eisers betogen dat bij de QuickScan een buizerdnest over het hoofd is gezien. Het nest moet jaarrond beschermd blijven. De kans is volgens eisers groot dat er nog meer beschermde diersoorten zitten. Het college heeft hier ten onrechte niet op gereageerd. Een onderzoek van 20 tot 30 minuten is onvoldoende om te beoordelen of er beschermde diersoorten aanwezig zijn. De dieren die gespot zijn, zullen hun toevlucht nemen tot de boomgaard. De rechtbank stelt voorop dat het college in het kader van ETFAL moet motiveren waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. Anders dan eisers veronderstellen is het in dat kader niet noodzakelijk om uitvoerig onderzoek te doen naar soorten. Een QuickScan en een eventueel vervolgonderzoek is daarvoor voldoende. Aan het bestreden besluit liggen, opgenomen als bijlage 6 en 7 bij de ruimtelijke onderbouwing, een QuickScan “flora en fauna zonnepark Zwijndrechtse Waard” van 23 maart 2024 en een vervolgonderzoek naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en kleine wolfsmelk van 14 november 2023 ten grondslag. Op 7 augustus 2023 is tussen 12.00 uur en 16.00 uur onderzoek uitgevoerd. Uit de QuickScan is gebleken dat niet uitgesloten is dat er nesten van vogels, als de buizerd, sperwer of ransuil aanwezig zijn in een rij populieren. De werkzaamheden vinden echter meer dan 200 meter van deze bomenrij plaats. Deze bomenrij zal behouden blijven en verder zal er op voldoende afstand gewerkt worden waardoor een negatief effect redelijkerwijs valt uit te sluiten. Als gevolg van de QuickScan is een vervolgonderzoek gedaan naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en kleine wolfsmelk. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 12 en 24 oktober 2023 tussen omstreeks 10.00 uur en 15.30 uur. Daaruit blijkt dat geen van deze soorten zijn aangetroffen tijdens de veldbezoeken. Met de QuickScan en het vervolgonderzoek heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat geen sprake is van een flora-en fauna-activiteit die aan de (uitvoerbaarheid van de) gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.
Ook in de uitspraak Rb. Limburg 29 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:958 was de (on)uitvoerbaarheidstoets bij een BOPA, voor het realiseren van een opslag- en kegelbaangebouw, aan de orde. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers de aanleg van de parkeerplaats willen tegenhouden via de procedure tegen de omgevingsvergunning voor het opslag- kegelbaangebouw. Zij vrezen dat die aanleg tot onomkeerbare schade aan het omliggend Natura 2000 gebied het Geuldal zal leiden. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoekers in het kader van hun bezwaar tegen het bestreden besluit aldus dat volgens hen in het kader van de te beoordelen natuurtoestemming sprake is van één project en dat de voor dat project vereiste omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit ontbreekt. Volgens verzoekers kan een dergelijke vergunning ook niet worden verleend omdat niet kan worden voldaan aan de huidige eisen die daaraan in de jurisprudentie zijn gesteld (gewezen is onder meer op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71 (PAS) en 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac). Verzoekers voeren aan dat ‘de gemeente de niet gerealiseerde vergunde activiteiten (aanleg parkeerplaats) niet als referentiesituatie mocht gebruiken maar die wel heeft meegewogen’. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoekers geen doel treft. Er is voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit door verweerder (verplicht) advies en instemming aan GS gevraagd. GS heeft op 20 juni 2025 aangegeven dat geen aanspraak wordt gemaakt op het recht op instemming. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat GS het standpunt is toegedaan dat voor het realiseren van het opslag- kegelbaangebouw geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist. De bij de aanvraag van de omgevingsvergunning behorende stukken ondersteunen die conclusie van GS en de voorzieningenrechter is van oordeel dat GS zich bij de beoordeling terecht heeft beperkt tot het thans aangevraagde project. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder het advies van GS aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. In aanvulling op het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter nog op het volgende. In het onderhavige geval ligt geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000 – activiteit ter beoordeling voor. Dit betekent dat de vraag of deze nodig is en aan het verlenen van het bestreden besluit in de weg staat - zoals verzoekers betogen - alleen kan spelen als onderdeel van de beoordeling van ETFAL door verweerder. Als onderdeel van die beoordeling moet verweerder motiveren waarom een eventuele Natura-2000 activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. Op basis van de hiervoor vermelde bij de omgevingsvergunning behorende stukken bestaat geen grond voor het oordeel dat een eventuele Natura-2000 activiteit op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt.
De rechtbank Limburg oordeelde in een andere recente uitspraak (10 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:5575) dat als het bevoegd gezag een (on)uitvoerbaarheidstoets heeft uitgevoerd en eiser dit wil bestrijden hij deze stellingen gemotiveerd dient te onderbouwen. Verzoeker voerde aan dat beschermde diersoorten aanwezig zijn, in het bijzonder vleermuizen. Het college heeft nagelaten om een ecologisch onderzoek daarnaar te verrichten en daarom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Schorsing van de omgevingsvergunning is nodig omdat anders de vleermuizen worden verstoord. De voorzieningenrechter overweegt dat het college in het kader van ETFAL ook moet motiveren waarom een flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de verleende omgevingsvergunning is gemotiveerd dat gezien de beperkte inpandige verbouwingswerkzaamheden en de aanpassing van de voorgevel van slechts één woning geen sprake zal zijn van een relevante verstoring van beschermde flora-en fauna. Ter plaatse van de huidige voorgevel is met name sprake van grote glaspartijen en het beperkte geveldeel wat uit metselwerk bestaat bevat geen open stootvoegen. Met andere woorden: de voorgevel is niet geschikt voor het huisvesten van vleermuizen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen. Verzoeker heeft bovendien niet met stukken onderbouwd dat er desondanks vleermuizen in de voorgevel aanwezig zijn, maar enkel gesteld dat door zijn gemachtigde vleermuizen in de omgeving van het pand zijn waargenomen. Op zitting heeft verzoeker verder aangegeven dat de vleermuizen in ieder geval op en in de overige gevels van het pand aanwezig zijn en dat door de bouwwerkzaamheden trillingen zullen ontstaan waardoor hun verblijfsplaats wordt verstoord. Ook hier geldt dat verzoeker dit enkel stelt zonder enige onderbouwing hiervan. Naar de huidige stand van zaken was het college niet gehouden om verder onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen op of in de overige gevels van het perceel te doen. Het beperkte bouwplan en het ontbreken van enige informatie over de daadwerkelijke aanwezigheid van vleermuizen geeft daarvoor geen aanleiding. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat sprake is van een flora-en fauna-activiteit die aan de (uitvoerbaarheid van de) gevraagde omgevingsvergunning (BOPA) in de weg staat.
