De nieuwe Wet voorzieningen verzorgingsplaatsen moet een einde maken aan de juridische onzekerheid rond de uitgifte van vergunningen op verzorgingsplaatsen. Maar uit het verslag van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat blijkt vooral dat de voorgestelde marktordening — met afzonderlijke exploitatievergunningen voor tanken, laden en gemakswinkels — in de Tweede Kamer op forse kritiek stuit. Vooral de verplichte knip tussen voorzieningen, de keuze voor veilen op hoogste bod en de samenloop met de uitvoering door Rijkswaterstaat roepen vragen op.

Het wetsvoorstel regelt dat per type voorziening een afzonderlijke exploitatievergunning wordt verleend. Daarmee valt een integrale vergunning voor tanken, laden en een gemakswinkel weg. Juist dat punt ligt gevoelig.
De VVD-fractie stelt dat het voorstel geen uitvoering geeft aan eerdere Kameruitspraken over een integrale, overzichtelijke en verkeersveilige inrichting. De fractie verwijst naar de motie-Koerhuis/Van der Plas en de motie-Heutink c.s., die volgens de VVD juist ruimte vragen voor een gecombineerd kavel. “Daarmee kiest de regering feitelijk voor het tegenovergestelde van hetgeen de Kamer heeft verzocht,” schrijft de fractie in het verslag.
Ook BBB, CDA, SGP, JA21, PVV, FvD en ChristenUnie plaatsen vraagtekens bij de knip. De zorgen lopen uiteen, maar komen op hetzelfde neer: een opsplitsing van voorzieningen kan leiden tot versnippering, verlies van schaalvoordelen, hogere kosten en een minder samenhangend aanbod op de verzorgingsplaats.
Een tweede hoofdthema is de keuze voor veilen. De regering wil exploitatievergunningen voor laadstations en gemakswinkels verdelen op basis van het hoogste financiële bod. Dat moet transparant en juridisch houdbaar zijn, maar meerdere fracties twijfelen of dit wel de juiste prikkel geeft.
De ChristenUnie vreest dat veilen “een prijsopdrijvende functie” heeft en de betaalbaarheid van voorzieningen schaadt. De D66-fractie waarschuwt dat hoge veilingprijzen via de tarieven kunnen terugkomen bij de weggebruiker. De VVD vraagt waarom kwaliteit, realisatiesnelheid, beschikbaarheid, innovatie en sociale veiligheid niet meewegen in de gunning.
De SGP-fractie wijst erop dat de regering zelf stelt: “De belangrijkste criteria voor de selectie van een aanbieder op de verzorgingsplaatsen laten zich echter goed vatten in eisen of randvoorwaarden.” Volgens die fractie ligt het dan voor de hand om kwaliteit zwaarder aan de voorkant van het proces te borgen, in plaats van uitsluitend op prijs te sturen.
In het verslag klinkt breed de zorg dat verzorgingsplaatsen geen optelsom van losse markten zijn, maar samenhangende publieke voorzieningen. De CDA-fractie benadrukt dat verkeersveiligheid voorop staat, maar ook toegankelijkheid, fysieke en sociale veiligheid, verlichting, veilige looproutes, rustmogelijkheden en betrouwbare voertuigvoorzieningen horen daarbij.
Die gedachte keert terug bij meerdere fracties. De BBB schrijft dat een verzorgingsplaats “niet slechts een verzameling losse markten” is, maar een plek waar bereikbaarheid, verkeersveiligheid, sociale veiligheid, dienstverlening en ondernemerschap samenkomen. De fractie vreest dat het nieuwe stelsel leidt tot verschraling van het aanbod en slechtere dienstverlening aan automobilisten en beroepschauffeurs.
De PRO-fractie vraagt juist om meer aandacht voor de toekomst van elektrisch vervoer, met name de groeiende behoefte aan laadcapaciteit, netaansluiting en langere verblijfsduur. Voor vrachtverkeer zijn de zorgen nog concreter: er is volgens meerdere fracties al een tekort aan veilige vrachtwagenparkeerplaatsen en rustvoorzieningen.
Een van de meest terugkerende onderwerpen in het verslag is netcongestie. Meerdere fracties vragen hoe een vergunningstelsel kan werken als de benodigde netcapaciteit nog niet gegarandeerd is.
De D66-fractie vraagt of de beschikbaarheid van voldoende netcapaciteit als randvoorwaarde moet meewegen bij de vaststelling van inrichtingsplannen en de routekaart. De CDA-fractie wil weten hoe de regering borgt dat verzorgingsplaatsen tijdig beschikken over voldoende netcapaciteit. De JA21-fractie vraagt wat er gebeurt als een vergunning wordt geveild terwijl nog geen zekerheid bestaat over een bruikbare netaansluiting.
Dat is niet alleen een technisch vraagstuk, maar ook een uitvoerings- en rechtszekerheidsvraag. Als een winnaar van een veiling wel betaalt, maar de voorziening vervolgens niet kan worden gerealiseerd door een ontbrekende of niet overdraagbare aansluiting, ligt leegstand of vertraging op de loer.
Op meerdere plaatsen in het verslag komt de positie van mkb- en familiebedrijven terug. De fracties vragen zich af of het nieuwe stelsel niet vooral ruimte biedt aan kapitaalkrachtige partijen.
De BBB vraagt hoe wordt voorkomen dat grote marktpartijen de veilingen winnen en kleinere ondernemers verdwijnen. De FvD vraagt specifiek naar de gevolgen van het afzonderlijk veilen van tanken, laden en shop voor bestaande geïntegreerde mkb-bedrijven. De VVD wil weten welke mkb-toets op het verdeelmodel is uitgevoerd. De CDA-fractie vraagt hoe het stelsel ruimte houdt voor startende ondernemers en familiebedrijven om mee te groeien met de energietransitie.
Daarbij speelt ook de vraag of het verlies van een deel van de bestaande exploitatie, bijvoorbeeld alleen een laad- of shopkavel, nog wel past bij een economisch houdbaar bedrijfsmodel. De Kamerleden vragen herhaaldelijk of de regering heeft onderzocht wat de herordening betekent voor continuïteit, investeringsvermogen en restwaarde van bestaande installaties.
Een ander punt van zorg is de uitvoering. Rijkswaterstaat moet volgens het voorstel meer regie krijgen over inrichtingsplannen, veilingen en toezicht, maar de fracties twijfelen of die organisatie daar al op is toegerust.
De CDA-fractie wijst erop dat tussen 2028 en 2030 op ruim 170 verzorgingsplaatsen bestaande laadvergunningen aflopen. Rijkswaterstaat moet volgens de memorie van toelichting kennis en ervaring met veilingen nog opbouwen, en het Rijksvastgoedbedrijf heeft al aangegeven dat extra capaciteit nodig is. De VVD wil weten hoeveel personele capaciteit en financiële middelen beschikbaar zijn. De BBB vraagt om openbaarmaking van uitvoeringstoetsen en een volledig risicodossier.
Ook de overgangsperiode krijgt kritiek. Meerdere fracties vinden het problematisch dat vergunningen in de overgangsfase al worden geveild terwijl inrichtingsplannen nog niet overal gereed zijn. De vraag is dan wie de regie draagt over de uiteindelijke inrichting, en hoe rechtszeker die vergunningen in de praktijk zijn.
Tot slot leeft breed de zorg dat de wet te laat wordt geëvalueerd. De regering voorziet een evaluatie binnen zeven jaar, maar de VVD, BBB en JA21 willen veel eerder een invoeringstoets. De BBB vraagt om toetsing op prijzen, beschikbaarheid, netcongestie, vrachtwagenparkeren en de positie van mkb en familiebedrijven. De VVD wil uiterlijk drie jaar na de eerste veilingen een invoeringstoets.
Daarmee wordt duidelijk dat de Kamer niet alleen twijfelt aan de inhoud van het stelsel, maar ook aan de vraag of het tijdig kan worden bijgestuurd als de praktijk anders uitpakt dan verwacht.
Het Wetsvoorstel voorzieningen verzorgingsplaatsen is naar de Tweede Kamer - PONT Omgeving
