Nieuwe klimaatdata schetsen een beeld van warmere zomers. Vanaf 2021 ontstond met de intrede van de TOjuli-eis (Temperatuuroverschrijding juli) meer aandacht voor het zomercomfort. Een groeiend aantal klachten over oververhitting bij de Huurcommissie tekent het belang daarvan. In dit artikel duiken we in op de Ladder van Koeling voor het ontwerpen van gebouwen voor zomercomfort.

Hoge temperaturen in de woning hebben een directe relatie met volksgezondheid en welzijn, in het bijzonder voor kwetsbare doelgroepen (zoals ouderen). In meer zuidelijke Europese landen blijken langere perioden van grote hitte al te leiden tot sterke, zeer ongewenste effecten op de gebouwde omgeving: zowel in het stedelijk gebied als in de gebouwen zelf, met politieke inmenging tot gevolg.
Vanuit perspectief van de technisch adviseur is een vergaande integratie tussen gebouw en omgeving belangrijk om hittestress effectief te kunnen beheersen. De Ladder van Koeling biedt daarvoor een concrete aanpak.
De ladder van koeling bestaat uit vier treden, waarbij de eerste twee stappen voorzien in het voorkomen van opwarming en de laatste twee stappen uit het wegnemen van de toegetreden warmte uit het gebouw. Vooral trede 1, de relatie tussen gebieds -en gebouwniveau, is interessant. Deze trede heeft aandacht voor het effect van een verkoelende omgeving op de (daardoor gereduceerde) koelvraag van gebouwen. Vanuit deze start op gebiedsniveau daalt de Ladder van Koeling door naar gebouwniveau en, als laatste, het gebruik van installaties.

Vergroening in de vorm van bomen en groene gevels heeft effect op de buitentemperatuur en de mate van zoninstraling. Verdamping van vocht uit de bladeren (evapotranspiratie) onttrekt warmte aan de lucht. Het bladerdek geeft daarnaast schaduw waardoor zoninstraling (via beglaasde delen) en opwarming van het gevelmateriaal worden beperkt.
Een vuistregel als de 3-30-300-regel spoort aan om na te denken over het vergroeningspotentieel van de openbare ruimte. Iedereen moet vanuit zijn woning minimaal 3 bomen kunnen zien, de boomkroonbedekking in buurten is minimaal 30 procent en binnen 300 meter zou een groene verblijfsplek aanwezig moeten zijn. Oorspronkelijk is het (sociale) welzijnsperspectief onderlegger voor deze richtlijn. De richtlijn is echter ook interessant vanuit de vraag in welke mate dergelijke maatregelen op gebiedsniveau bijdragen aan het beperken van de binnentemperatuur in de woningen en, daaraan gekoppeld, een lager energiegebruik voor koeling.
De uitdaging in trede 1 van de Ladder ligt in het met elkaar integreren van de software-effectmodellen voor begroeiing en oppervlaktewater, met de gebouwmodellen die voor het binnenklimaat worden gebruikt. Een combinatie van beide modellen maakt optimaliseren tussen gebied en gebouw mogelijk, maar in de sector is van verregaande software-integratie helaas nog geen sprake.

De tweede trede is met name in het ontwerp relevant. Denk daarbij aan de afmeting en oriëntatie van glasoppervlakken en het voorkomen van zoninstraling door toepassing van buitenzonwering, verdiepte ligging, overstekken of luiken. Daarbij moet wél voldoende daglichttoetreding behouden blijven. Dergelijke passieve maatregelen zijn voor nieuwbouw indirect geïntegreerd in de bouwregelgeving: ze kunnen opgevoerd worden in de berekeningen voor de TOjuli- eis en GTO-eis (Gewogen Temperatuuroverschrijding).
Ook in de bestaande gebouwvoorraad zijn deze maatregelen erg nuttig in het voorkomen van oververhitting. Enige vorm van verankering in de bouwregelgeving zou welkom zijn, zodat bij verbouw of renovatie zomercomfort expliciet aandacht krijgt.
De uitdaging in trede 2 zit opnieuw in het ruimtelijk domein. Passieve maatregelen in de gevel verhouden zich soms stekelig tot het beeldkwaliteitsplan of de welstandscriteria. Door passieve maatregelen in de gevel al vroeg in het ontwerp te integreren en bespreekbaar te maken kan dit risico beheerst worden. Soms is bestuurlijk lef nodig om de juiste prioriteit (gevelbeeld versus oververhitting) te stellen.

Zomernachtventilatie is een effectieve maatregel om de binnentemperatuur gedurende de nachtperiode te verlagen. Het wordt veel toegepast in ontwerpen voor houtbouw: door de beperkte thermische massa zijn houten gebouwen namelijk wat gevoeliger voor opwarming. De effectiviteit van ventilatieverkoeling wordt bepaald door grofweg twee voorwaarden: de buitentemperatuur is ’s nachts voldoende laag en de spuicapaciteit is voldoende groot.
Uit de klimaatscenario’s van het KNMI blijkt echter dat vooral de nachten warmer worden. Een beoordeling van het thermisch comfort op basis van pieken overdag raakt daarmee achterhaald. Ventilatieve koeling kan in de tussenseizoenen de koelvraag wél aanzienlijk verlagen, waardoor de te installeren capaciteit van de aanvullende koeling beperkt kan blijven.
De uitdaging in trede 3 zit daarnaast met name in de effectiviteit van spuiventilatie. In eenzijdig georiënteerde appartementen is dit een belangrijk aandachtspunt. “Ramen en deuren tegen elkaar openzetten” is er in deze appartementen niet bij en het effectiviteitsverschil kan tot een factor 4 oplopen (in vergelijking tot dwarsventilatie)! Daarnaast is zomernachtventilatie in stedelijk gebied kritisch vanwege de overlast die kan ontstaan.
De verkoop van airco’s voor verkoeling is de afgelopen jaren sterk gegroeid. Dat wordt energetisch in de sector niet direct als probleem gezien: op zonnige dagen is er vaak een overschot aan elektra en met een thuisbatterij kan deze energie (deels) in de nacht worden aangewend. Dat de airco warmte van binnen naar buiten verplaatst, blijft daarbij onbenoemd.
Waarom is dit wél relevant? Deze warmte kan als een (extra) warme deken over het gebied komen hangen, vooral bij relatief windstil weer. Daarnaast zijn airco’s relatief milieubelastend door het gebruik van koudemiddelen en kritieke grondstoffen. Dat neemt niet weg dat koeling een effectieve oplossing is voor het verlagen van de binnentemperatuur. Zeker voor kwetsbare groepen wordt vaak een combinatie van passieve en actieve koeling geadviseerd.
De technische uitwerking vraagt aandacht, vooral omdat koelen (bij grotere koelvermogens) gepaard moet gaan met ontvochtigen om ongewenste condensatie te voorkomen. In collectieve installaties is ontvochtiging technisch goed te integreren in de klimaatinstallatie. Voor woningen met individuele units (dit betreft het overgrote deel van de woningvoorraad) is dit niet het geval: het koelend vermogen van bijvoorbeeld vloerkoeling wordt daarmee begrensd door het risico op condensatie. Het blijft in deze woningen – zo laat het doorrekenen van de nieuwe klimaatscenario’s van het KNMI zien – nog steeds voor langere perioden (dagen of weken) onbehaaglijk warm.
Theo Haytink en Johan Kaspers zijn werkzaam bij Nieman raadgevende ingenieurs bv, Zwolle. Saskia Hegeman werkt bij Nieman groep, Utrecht. Werner Altenaar en Roza Morrison zijn werkzaam bij Certa advocaten, Amsterdam.
Dit artikel verscheen in PONT, vakblad Bouwen met Kwaliteit (editie 2026-1). Bouwen met Kwaliteit is het vakblad dat PONT 8 keer per jaar uitbrengt in samenwerking met de Vereniging BWT Nederland en Vereniging Kwaliteitsborging Nederland. Iedere editie duiken we met dit nieuwe magazine de diepte in, met interviews, verdiepingsartikelen en opinies van experts op het gebied van bouwkwaliteit. Klik hier voor meer informatie.
