In de vorige eeuw was Nederland internationaal beroemd om zijn ruimtelijke ordening. Sindsdien is daar de klad in gekomen, vindt Gerwin Gabry. Toch is de sociaal geograaf, programmadirecteur Omgevingswet én docent binnen de veelbezochte Leerroute Beleidsmedewerker RO en omgevings-/RO-jurist (PONT Academy) hoopvol over de ruimtelijke toekomst van Nederland. “Het inspirerende van onze leefomgeving is dat alle grote opgaven van deze tijd op te lossen zijn, áls je het goed aanpakt.” In een scherp interview met PONT | Omgeving vertelt hij hoe, en vooral: wie voor de oplossing gaan zorgen.

Het is niet voor niets dat Gerwin Gabry zo aanstekelijk kan vertellen over zijn vak. Het ruimtelijke werk binnen de leefomgeving is namelijk ontzettend interessant, vindt hij. “Je houdt je in het oog van een enorm krachtenveld bezig met dé landelijke uitdagingen van deze tijd: woningbouw, klimaatadaptatie, de energietransitie, natuurherstel, noem maar op. En het mooiste is, die problemen zijn oplosbaar. Als je het politieke gekonkel van de afgelopen jaren ziet, lijkt het misschien niet zo, maar de oplossingen zijn niet eens zo ingewikkeld.”
Gezocht: deskundige RO’ers
Ondanks de grote uitdagingen hebben veel gemeenten moeite om capabele en ervaren beleidsmedewerkers RO en omgevingsjuristen te werven. De afdelingen zijn daardoor onderbezet, of er wordt deskundigheid ingehuurd voor fte’s die eigenlijk intern thuishoren. Beide zijn onwenselijk, aldus Gerwin Gabry. “Er is slagkracht nodig, en het extern inhuren van allerhande personeel gaat in tegen de visie achter de Omgevingswet: zonder kennis en ervaring in huis kom je nooit tot consistent beleid en continuïteit.”
Wellicht verklaart dit het grote succes van de nieuwe Leerroute Beleidsmedewerker RO en omgevings-/RO-jurist, opgezet door PONT Academy. In deze leerroute worden zij-instromers of beginnende beleidsmedewerkers en omgevingsjuristen gezamenlijk bijgespijkerd in hun juridische kennis en praktische vaardigheden, zodat zij hun dagelijkse werk beter en zelfverzekerder kunnen doen. Op deze manier zorgen gemeenten met een relatief kleine investering voor cruciale kennis en kunde binnen de organisatie. De belangstelling is zo groot dat er een extra cyclus is ingepland, die op 12 november van start gaat. Gabry treedt op als docent tijdens de eerste en achtste cursusdag.
Hoofdpijndossiers ontwarren
“Als je ver terugkijkt,” vertelt Gabry, “zie je dat Nederland altijd ver vooruitkeek. We hadden de verschillende nota’s over de ruimtelijke ordening, Vinex, de Deltawerken, later Ruimte voor de Rivier. Vakgenoten van over de grens kwamen kijken hoe Nederland dat voor elkaar kreeg. De laatste 25 à 30 jaar is die machine gestokt: we krijgen de opeenstapelende vraagstukken niet meer opgelost. Sterker nog, de hoofdpijndossiers raken in elkaar vervlochten, zoals de woningbouwopgave, netcongestie, het stikstofprobleem en de neergang van de natuur. Machtige lobby’s vanuit het bedrijfsleven hebben hierin een negatieve rol gespeeld, maar er is veel meer aan de hand.”
Het interessante is, aldus Gabry, dat veel van die problemen niet los van elkaar hoeven te worden opgelost. “Neem groen. Als je meer groen creëert, bereik je meerdere dingen tegelijk. De omgeving wordt gezonder, want nodigt meer uit tot bewegen, je kunt meer water opvangen, hittestress neemt af en de biodiversiteit neemt toe. Bovendien vergroot een groenere omgeving de aantrekkelijkheid en de waarde van woningen.
Maar je zult dan soms wel aan een andere knop moeten draaien. Bijvoorbeeld parkeren. We vinden het heel normaal dat de auto enorm veel openbare ruimte inneemt. Iedereen zegt bij hoogbouw in een dorp: ‘Dat is niet dorps.’ Maar al die auto’s zijn óók niet dorps hoor.”
Gabry erkent dat dit vooral een ontwerpopgave is. “Maar je moet functies slim combineren. Ik werk bij een bureau dat advies en ontwerp combineert en zie regelmatig dat ontwerpers met oplossingen komen die ik zelf niet had bedacht. Dat vind ik juist zo leuk aan het vak. Je probeert tot een oplossing te komen die meer is dan de som der delen.
Daarvoor moet je eerst weten waar je naartoe wilt. Uiteindelijk gaat ruimtelijke ordening over de vraag: wat voor gemeenschap willen we zijn? Daar ontkom je niet aan. En daar is de omgevingsvisie voor.”
Voor visie naar de opticien?
Om dit soort ruimtelijke knopen te ontwarren, zijn twee dingen nodig, zegt Gabry stellig: een strategische visie en de politieke moed om lastige keuzes te maken, ook in beleid en uitvoering. Maar juist die twee ontbreken in de landelijke, en vaak ook in de regionale en lokale politiek. “Voormalig premier Mark Rutte zei ooit: ‘Als je een visie wilt, moet je maar naar de opticien.’ Dat is tekenend voor het landelijke gebrek aan een samenhangend en richtinggevend perspectief. Het dieptepunt was het opheffen van het ministerie van VROM in 2010. Nederland was af, werd gezegd, maar niets was natuurlijk minder waar. Uit onderzoek door de Verenigde Naties blijkt bijvoorbeeld dat Nederland het woningentekort in feite zelf heeft gecreëerd.
Rutte is al een tijd van het Haagse toneel verdwenen, maar kort na Prinsjesdag 2026 zijn we als bevolking nog steeds niet op een duidelijke visie voor Nederland getrakteerd.”
De invoering van het stelsel van de Omgevingswet in 2024 had aan meer ‘visionair’ en samenhangend beleid moeten bijdragen. Maar wordt er nu daadwerkelijk integraler gewerkt, zoals de Omgevingswet beoogde? En werkt de omgevingsvisie daadwerkelijk door in alle onderliggende lagen van beleid en uitvoering?
Omgevingsvisies anno 2026: vaag, vager, vaagst, maar we houden hoop
Wat de omgevingsvisie zelf betreft ziet Gerwin Gabry dat er al veel bereikt is, maar dat er ook nog veel verbeterpunten zijn. Gabry, auteur van het boek Werken met de omgevingsvisie uit 2022, constateert dat de omgevingsvisie nog maar beperkt zijn weg vindt in beleidsvorming.
Intussen blinken de meeste omgevingsvisies anno 2026 uit in algemeenheden: mooie, maar generiek klinkende woorden over een gezonde en evenwichtige leefomgeving waarover niemand het oneens kan zijn, maar die weinig handvatten voor de praktijk bieden en al helemaal geen moeilijke knopen doorhakken. Het nut van deze documenten is doorgaans beperkt. Is het stelsel waarin de omgevingsvisie als strategisch anker moet dienen, een flop?
Gabry vindt dat te ver gaan. Hij vindt dat dit instrument eerst de tijd moet krijgen om verder ontwikkeld te worden. “We kijken nu naar de eerste generatie omgevingsvisies. Het zij gemeenten vergeven dat ze het eerst vrij schetsmatig en algemeen hebben aangepakt. We moeten alleen wel doorpakken naar 2.0, 3.0, 4.0 en 5.0. De wil moet er zijn om zo’n visie steeds beter, rijker en scherper te maken.
Nu zie je soms dat bij een actualisatie vooral wat nieuw beleid wordt ingeplugd, zonder dat de visie zelf wezenlijk scherper wordt. Terwijl je antwoorden nodig hebt. In bijna iedere visie staat bijvoorbeeld dat de leefomgeving gezond moet zijn. Logisch. Maar: hoe gezond is gezond? Als je dat niet specificeert, ontstaat een gat tussen visie en plan.”
Daar kunnen programma’s toch tussen zitten?
Gerwin Gabry: “Zeker. Je kunt ervoor kiezen om een compactere omgevingsvisie te hebben en zaken verder uit te werken in programma’s. Maar dan moet je wel goed nadenken over de inrichting daarvan. Als je uiteindelijk honderden programma’s krijgt, ben je nog steeds ver van huis.
Mijn eigen stelling is provocerender: maak gewoon één omgevingsvisie waar alles in zit. Misschien wordt die 2.000 pagina’s, maar dat is nog altijd beter dan twintig beleidsstukken van honderd pagina’s. Het is digitaal, dus who cares?”
Daarmee komen we terug bij de gemeentelijke organisatie. Is gebrek aan capaciteit het grootste probleem?
“Capaciteit speelt absoluut een rol, maar ik denk ook dat het werk efficiënter kan. Je hoeft niet bij ieder verzoek van een wethouder meteen een nieuw beleidsplan te schrijven. Beleid kan ook bij de volgende actualisatie in de omgevingsvisie worden opgenomen.
Ik zou veel meer integraal actualiseren: eens in de zoveel tijd met elkaar het geheel aanpassen, verrijken en verbeteren. Niet steeds losse sectorale stukken produceren. Daar gaat enorm veel energie in zitten en het kan bovendien participatiemoeheid veroorzaken. Het is niet logisch als inwoners de ene week over een omgevingsvisie mogen meepraten en tegelijkertijd over een afzonderlijk mobiliteitsplan dat inhoudelijk eigenlijk onderdeel van diezelfde visie hoort te zijn.”
Maar daarvoor heb je ook continuïteit binnen de gemeentelijke organisatie nodig.
“Dat is een groot probleem. Inhuur kan nodig zijn, maar is niet bestendig als mensen voortdurend in- en uitvliegen. Ik heb bij een gemeente weleens aan tafel gezeten waarbij eigenlijk niemand van de gemeente zelf aanwezig was. Dan denk ik: hoe moet zo’n omgevingsvisie straks worden uitgevoerd?
De beleidscyclus is juist bedoeld om consistentie te creëren. Dan heb je die consistentie ook in personele zin nodig. We hebben meegemaakt dat driekwart van het team dat aan een omgevingsvisie had gewerkt vervolgens weg was. Nieuwe medewerkers vroegen: waarom hebben ze dit eigenlijk bedacht? Daar zat vaak heel veel logica achter, maar die kennis was verdwenen. Dan kun je bijna opnieuw beginnen.”
Is dat ook waarom scholing zo belangrijk is?
“Ja. Wat ik vooral belangrijk vind, is dat mensen begrijpen hoe de hele beleidscyclus functioneert. Hoe grijpen de onderdelen in elkaar? Hoe moet dat de komende jaren gaan draaien? En wat is het eindbeeld van je beleidshuis? Als je dat doorhebt, heb je al heel veel geleerd.
En: kijk ver vooruit. Tien jaar vooruitkijken is geen visievorming. Je moet veel verder durven denken.”
In de leerroute trekken beleidsmedewerkers RO en omgevings-/RO-juristen voor een belangrijk deel samen op. Waarom?
“Omdat die werelden in de praktijk bij elkaar móéten komen. De omgevingsvisie is de beleidsmatige basis voor het omgevingsplan. Maar de aansluiting tussen beide is nu nog vaak te vaag.
Ik zou daarom willen dat er bij het maken van een omgevingsvisie altijd juridische expertise in het team zit, en andersom dat beleidsmedewerkers betrokken zijn bij het omgevingsplan. Nu zie je nog te vaak dat het team dat aan het omgevingsplan werkt een ander team is dan het team dat de omgevingsvisie heeft gemaakt. Als je die werelden bij elkaar brengt, gaat de beleidscyclus veel beter draaien.”
De Omgevingswet moest die samenhang juist bevorderen. Werkt het nieuwe stelsel dan nog onvoldoende?
“De mogelijkheden worden nog niet volledig benut. Zolang veel ontwikkelingen via BOPA’s (buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, red.) lopen en gemeenten nog bezig zijn hun bestaande regels om te zetten, benut je de flexibiliteit van het nieuwe omgevingsplan nog niet zoals de wetgever het had bedoeld.
Maar ik ben zeker niet alleen negatief. Het feit dát we met een beleidscyclus werken, is al winst. Dat biedt consistentie en vastigheid. Ook kun je participatie veel structureler organiseren en steeds bij dezelfde mensen terugkomen. Je krijgt dan wat wij de ‘permanente dialoog met de samenleving’ noemen.”
Over participatie gesproken: binnen gemeenten horen we weleens dat het vooral veel tijd kost en gedoe oplevert.
“Dat het sneller zou gaan als je participatie overslaat, is pertinent niet waar. Zeker bij gebiedsontwikkeling krijg je die discussie uiteindelijk toch. Als je mensen niet aan de voorkant betrekt, kun je ze aan het einde tegenover je krijgen in procedures.
Het loont juist om vroeg breed te beginnen, mensen te laten meedenken en goed uit te leggen waarom je bepaalde keuzes maakt. Maar participatie valt of staat ook met je eigen houding. Als jij op een informatieavond met je armen over elkaar staat en niet bereid bent werkelijk te luisteren, wordt het natuurlijk nooit wat.”
Je klinkt toch optimistisch over het ruimtelijk domein, ondanks alle kritische geluiden die er klinken over het stelsel van de Omgevingswet en de praktijk.
“Absoluut. De potentie om dingen te bereiken die nu vastgelopen zijn, is gigantisch. Het gaat ook niet over kleine dingen. Je werkt aan klimaat, gezondheid, wonen, de kwaliteit van onze leefomgeving. Je kunt met dit vak echt verschil maken.
Ik hoop daarom dat mijn vuur een beetje overslaat op cursisten. Je mag best ergens voor staan, ergens iets van vinden en daarvoor je nek uitsteken. Ruimtelijke ordening is niet alleen belangen tegen elkaar wegstrepen. Er kan namelijk veel tegelijkertijd! Vraag jezelf af: welke kwaliteiten willen we uiteindelijk bereiken? En hoe kunnen we verschillende opgaven zo combineren dat daar iets beters uitkomt?
We moeten weer durven vooruitkijken. Ik hoor vaak: ‘Het moet wel haalbaar zijn.’ Dan zeg ik: máák het haalbaar. In het verlengde daarvan geef ik aan het eind van de dag vaak deze gevleugelde uitspraak aan mijn cursisten mee: wie niet durft te dromen, is geen realist.”
De Leerroute Beleidsmedewerker RO en omgevings-/RO-jurist (PONT Academy) gaat 12 november 2026 van start. Bekijk hier meer informatie over deze opleiding.
