Op 9 juni 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant maar liefst twee uitspraken gedaan over het belang van toetsing aan instructieregels bij BOPA-besluitvorming.

In de uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2026:3625 ging het om een instructieregel uit de provinciale Omgevingsverordening. Het college kan geen toepassing geven aan zijn bevoegdheid om op grond van art. 8.0a Bkl om een BOPA te vergunnen, als dat in strijd zou zijn met een instructieregel. Dat staat in art. 8.0b, lid 2, onder a Bkl. Het college heeft in dit geval geen afwegingsruimte.
Op grond van art. 5.30, lid 1, onder c v.d. Omgevingsverordening Noord-Brabant staat een omgevingsplan dat van toepassing is op het Natuur Netwerk Brabant alleen bestaande bebouwing en bestaande gebruiksactiviteiten toe zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd. Dat betekent dat het college niet bevoegd was om de aangevraagde BOPA te vergunnen, aangezien dat in strijd zou zijn met de instructieregel.
In de uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2026:3630 is overwogen dat bij het bepalen of sprake is van ETFAL, het college ook moet kijken naar de waterhuishoudkundige aspecten van de te vergunnen activiteit. Dat valt niet alleen binnen de algemene toets van ETFAL, maar daartoe is het college ook verplicht op grond van de instructieregel van art. 5.37 Bkl. Aan deze instructieregel moet het college bij het vergunnen van een BOPA op grond van art. 8.0b Bkl ook toetsen. In art. 5.37 Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Het college heeft beoordelingsruimte bij het wegen van de waterbelangen in de beoordeling van ETFAL. Daarbij geldt in het algemeen dat een ontwikkeling niet hoeft te voorzien in een oplossing voor eventuele bestaande wateroverlast. Wel moet het college zich ervan verzekeren dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van wateroverlast ter plaatse van de naburige percelen.
