Integrale analyse van VNG-netwerksessies over de Omgevingswet. Gemeenten bevinden zich midden in een fundamentele omslag in het werken onder de Omgevingswet. Waar de afgelopen jaren vooral draaiden om het opstellen van omgevingsvisies en de juridische implementatie van nieuwe instrumenten, verschuift de aandacht nu steeds nadrukkelijker naar uitvoering. De centrale vraag daarbij is: hoe zorg je ervoor dat ambities daadwerkelijk zichtbaar worden in de fysieke leefomgeving?

In meerdere VNG-netwerksessies over programma’s, uitvoering, samenhang en werken onder de Omgevingswet deelden gemeenten hun praktijkervaringen, dilemma’s en succesfactoren. Uit de bijeenkomsten ontstaat een helder beeld: programmatisch werken is niet alleen een beleidsmatige of juridische opgave, maar vooral een organisatorische en bestuurlijke verandering.
Binnen de Omgevingswet neemt het programma een bijzondere positie in. De omgevingsvisie geeft richting en bevat langetermijnambities voor de fysieke leefomgeving, maar programma’s moeten zorgen voor de vertaalslag naar concrete uitvoering.
Juist in die overgang van strategie naar praktijk ontstaan veel vragen:
De sessies maken duidelijk dat gemeenten nog volop zoekende zijn naar een werkbare balans tussen ambitie, uitvoerbaarheid en bestuurlijke keuzes.
Een terugkerend thema in vrijwel alle bijeenkomsten is de spanning tussen de integrale bedoeling van de Omgevingswet en de vaak nog sectoraal georganiseerde gemeentelijke praktijk.
Veel gemeentelijke organisaties werken nog vanuit afzonderlijke beleidsterreinen zoals wonen, duurzaamheid, economie, mobiliteit, erfgoed of gezondheid. De Omgevingswet vraagt echter juist om samenhang tussen deze thema’s.
Dat betekent dat programma’s niet meer uitsluitend binnen één beleidsafdeling kunnen ontstaan. Gemeenten die succesvol werken aan programma’s investeren daarom nadrukkelijk in:
Daarmee wordt programmatisch werken feitelijk een organisatievraagstuk. Niet de juridische vorm staat centraal, maar de manier waarop gemeenten samenwerken en besluiten nemen.
De gemeente Zoetermeer legde tijdens een van de netwerksessies sterk de nadruk op procesinrichting en bestuurlijke verankering. Volgens de gemeente begint een succesvol programma niet bij inhoud, maar bij een helder proces.
Daarbij zijn vooraf duidelijke afspraken nodig over:
Een belangrijk inzicht uit de presentatie was dat programmatisch werken automatisch leidt tot keuzes maken. Niet iedere ambitie kan gelijktijdig worden gerealiseerd. Gemeenten moeten daarom expliciet prioriteren.
Zoetermeer benadrukte daarnaast dat participatie alleen effectief is wanneer stakeholders daadwerkelijk mede-eigenaar worden van uitvoering en resultaten. Participatie is daarmee niet alleen een communicatiemiddel, maar onderdeel van governance.
De gemeente Harderwijk richtte zich vooral op de systematiek achter programmatisch werken. De gemeente werkt bewust aan samenhang tussen:
Volgens Harderwijk zijn structuur en consistente procesafspraken noodzakelijk om grip te houden op complexe maatschappelijke opgaven.
Programma’s functioneren daar nadrukkelijk niet als losse beleidsdocumenten, maar als onderdeel van een bredere beleidscyclus waarin doelen, maatregelen en monitoring voortdurend met elkaar verbonden blijven.
Daarnaast benadrukte de gemeente het belang van meetbaarheid. Beleidsdoelen moeten volgens Harderwijk worden vertaald in concrete indicatoren en uitvoeringsafspraken. Zonder monitoring ontstaat het risico dat ambities bestuurlijk onvoldoende gevolgd worden en uiteindelijk op papier blijven staan.
Waar andere gemeenten vooral ingingen op structuur en proces, bracht Bergen nadrukkelijk het perspectief van uitvoering in.
Vanuit het erfgoedprogramma werd zichtbaar dat uitvoering in de praktijk vaak afhankelijk is van:
Bergen maakte duidelijk dat uitvoering nooit volledig voorspelbaar is. Gemeenten krijgen voortdurend te maken met nieuwe politieke keuzes, veranderende regelgeving en onverwachte ontwikkelingen.
Daarom is flexibiliteit essentieel. Programma’s moeten voldoende richting geven, maar tegelijkertijd ruimte laten voor aanpassing.
Een opvallende les uit de bijdrage van Bergen was dat kleine concrete stappen vaak effectiever zijn dan omvangrijke ambitiedocumenten. Uitvoerbaarheid blijkt in de praktijk belangrijker dan volledigheid.
In vrijwel iedere sessie kwam dezelfde realiteit terug: gemeenten hebben te maken met een stapeling van opgaven.
Denk aan:
Tegelijkertijd staan capaciteit, expertise en financiële middelen steeds verder onder druk. Daardoor ontstaat een fundamenteel spanningsveld tussen ambities en uitvoeringskracht.
De netwerksessies maakten duidelijk dat programmatisch werken juist vraagt om expliciete bestuurlijke keuzes. Niet alles kan tegelijk. Gemeenten moeten transparant afwegen welke doelen prioriteit krijgen en welke opgaven gefaseerd worden uitgevoerd.
Succesvolle gemeenten werken daarom steeds vaker met:
Daarmee verschuift de rol van programma’s van beleidsinstrument naar strategisch sturingsinstrument.
Een belangrijke rode draad door de bijeenkomsten is dat de omslag naar programmatisch werken niet alleen inhoudelijk of juridisch van aard is.
De grootste uitdaging ligt vaak in cultuur en samenwerking.
Veel organisaties zijn gewend om vanuit afzonderlijke beleidsvelden te werken, terwijl de Omgevingswet juist vraagt om continue afstemming tussen disciplines. Dat betekent dat gemeenten moeten investeren in:
Gemeenten die hierin slagen, maken programma’s minder afhankelijk van individuele afdelingen en sterker verbonden aan gezamenlijke maatschappelijke doelen.
Een ander belangrijk thema is monitoring. Gemeenten ervaren dat de Omgevingswet vraagt om meer cyclisch werken.
Waar beleid vroeger vaak werd vastgesteld en vervolgens jarenlang onveranderd bleef, ontstaat nu een dynamischer systeem waarbij programma’s voortdurend worden gevolgd en aangepast.
Monitoring krijgt daardoor meerdere functies:
De praktijk laat zien dat monitoring alleen werkt wanneer indicatoren vooraf helder zijn vastgesteld én wanneer bestuurders bereid zijn consequenties te verbinden aan uitkomsten.
Uit de verschillende netwerksessies komen vijf duidelijke lessen naar voren.
Denk al aan uitvoerbaarheid voordat een programma wordt opgesteld. Zonder capaciteit, eigenaarschap en governance blijft een programma abstract.
Prioriteren is noodzakelijk. Gemeenten kunnen niet alle maatschappelijke opgaven tegelijk realiseren.
Succesvolle programma’s verbinden meerdere beleidsterreinen en organiseren samenwerking structureel.
Programma’s functioneren alleen wanneer bestuurders actief betrokken blijven bij prioriteiten, monitoring en uitvoering.
Maatschappelijke ontwikkelingen veranderen voortdurend. Programma’s moeten flexibel genoeg zijn om daarop te kunnen reageren.
De verschillende VNG-netwerksessies maken duidelijk dat gemeenten zich in een nieuwe fase van de Omgevingswet bevinden. De aandacht verschuift van visieontwikkeling naar uitvoeringskracht.
Daarbij blijkt programmatisch werken veel meer te zijn dan een nieuwe beleidsvorm. Het raakt direct aan governance, samenwerking, cultuur, besluitvorming en organisatieontwikkeling.
De praktijkvoorbeelden van onder meer Zoetermeer, Harderwijk en Bergen laten zien dat succesvolle programma’s ontstaan waar ambitie en uitvoerbaarheid met elkaar in balans worden gebracht.
De belangrijkste les uit alle sessies is misschien wel dat de Omgevingswet uiteindelijk niet draait om instrumenten, maar om samenwerking. Gemeenten die erin slagen om integraal te werken, scherpe keuzes te maken en uitvoering centraal te stellen, zetten de grootste stappen van visie naar realisatie.
Meer info op VNG: https://vng.nl/artikelen/van-visie-naar-uitvoering-hoe-maak-je-programmas-werkend-29-mei-2026
