Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Verdere verruiming toepassingsbereik Wet Bibob op komst: de nieuwe ‘asbestvergunningplicht’ in de Arbowet

De Eerste Kamer heeft momenteel een wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: ‘Arbowet’) in behandeling. Dit wetsvoorstel dient ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/266 (hierna: ‘de Richtlijn’). Het doel van de Richtlijn is om werknemers beter te beschermen tegen blootstelling aan asbest bij het verrichten van arbeid. Om dat doel te bereiken, introduceert de Richtlijn onder meer een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden gaan verrichten.

30 July 2026

Stack of weathered corrugated asbestos cement sheets

De huidige Arbowet bevat geen grondslag om voor bepaalde werkzaamheden een vergunning te verplichten. Ter implementatie van de Richtlijn moet onze wetgever dus een vergunningplicht in de Arbowet creëren. In het wetsvoorstel is die vergunningplicht opgenomen in artikel 19a van de Arbowet. Deze nieuwe wetsbepaling luidt – vooralsnog – als volgt:

Artikel 19a. Vergunningplicht bij asbestwerkzaamheden
1. Tenzij Onze Minister hiervoor een vergunning heeft verleend, is het een bedrijf verboden om de volgende werkzaamheden uit te voeren:
a. asbestverwijderingswerkzaamheden;
b. sloopwerkzaamheden waarbij personen worden of kunnen worden blootgesteld aan asbest; of
c. het bewerken van asbest, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de aanvraag, verlening, wijziging, schorsing en intrekking van de vergunning, over de geldigheidsduur, over de reikwijdte van de vergunning met betrekking tot het type werkzaamheden, over de voorschriften die aan een vergunning kunnen worden verbonden en over de bij een aanvraag te overleggen gegevens.
3. Van bedrijven die beschikken over een geldige vergunning maakt Onze Minister op bij ministeriële regeling te bepalen momenten en op de in die regeling te bepalen wijze de volgende gegevens openbaar:
a. de handelsnaam;
b. het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007; c. het kenmerk van de vergunning;
d. de soort vergunning en de categorieën werkzaamheden die met de vergunning mogen worden uitgevoerd.
4. Onze Minister kan een vergunning weigeren of intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat Onze Minister een besluit neemt over de weigering of intrekking kan hij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies vragen als bedoeld in artikel 9 van die wet.

Het eerste lid van artikel 19a introduceert een vergunningplicht voor asbestverwijderings-werkzaamheden en voor sloopwerkzaamheden waarbij personen aan asbest (kunnen) worden blootgesteld. Ook biedt het eerste lid een grondslag om in de toekomst voor het bewerken van asbest een vergunning te kunnen verplichten. Daarvoor volstaat dan een wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Kamerstukken II 2025/26, 36 843, nr. 3, p. 4). De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: ‘de Minister’) wordt de vergunningverlener.
 
Het derde lid van artikel 19a regelt dat de Minister bepaalde informatie over bedrijven die over een vergunning beschikken, openbaar moet maken. Deze verplichting is nodig nu de Richtlijn voorschrijft dat lidstaten een lijst van bedrijven die een vergunning hebben gekregen, openbaar moeten maken. Het doel daarvan is dat het voor opdrachtgevers van asbestwerkzaamheden inzichtelijk is welke bedrijven dit werk zorgvuldig kunnen en mogen uitvoeren (Kamerstukken II2025/26, 36 843, nr. 3, p. 6).
 
Het vierde lid van artikel 19a legt een link met (afgekort) de Wet Bibob. De Minister krijgt hiermee de bevoegdheid om de ‘asbestvergunning’ te weigeren, in te trekken of daaraan voorschriften te verbinden. Dit als sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob. Kort gezegd: als sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden (mis)bruikt voor het plegen van strafbare feiten en/of witwassen. Met dit vierde lid wordt het toepassingsbereik van de Wet Bibob dus verder verruimt. Onze wetgever acht deze verruiming noodzakelijk om malafide bedrijven en bestuurders doelgericht uit de ‘asbestbranche’ te kunnen weren. In de woorden van de wetgever:

Met het huidige instrumentarium is het nu niet goed mogelijk om te voorkomen dat bedrijven die herhaaldelijk ernstige overtredingen begaan een doorstart kunnen maken onder een andere naam. Met de inzet van de Wet Bibob wordt het veel beter mogelijk om daar zicht op te krijgen en zo nodig een vergunning te weigeren of in te trekken. Het instrument wordt heel gericht ingezet, op basis van een concrete aanleiding dat er zodanig iets mis is dat een dergelijk onderzoek gerechtvaardigd is. Naar schatting gaat het om een beperkt aantal bedrijven dat hiermee te maken krijgt, in deze memorie van toelichting is uitgegaan van 10 per jaar.” (Kamerstukken II2025/26, 36 843, nr. 3, p. 4)

Dit wetsvoorstel verleent de Minister van SZW de bevoegdheid om overeenkomstig de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) een vergunning te weigeren, in te trekken of daaraan voorschriften te verbinden. Dit is onder andere noodzakelijk vanwege de constatering van de Arbeidsinspectie dat verschillende bedrijven die na herhaaldelijke overtredingen hun certificaat dreigen kwijt te raken een doorstart maken onder een andere naam en daarbij telkens nieuwe rechtspersonen inzetten om onder de schorsing van het certificaat uit te komen. Ook wordt het sanctioneren in sommige gevallen belemmerd door langlopende juridische procedures waardoor termijnen verstrijken en het begaan van vergelijkbare overtredingen niet kan worden bestempeld als recidive. De vergunningplicht en de Wet Bibob bieden mogelijkheden om dergelijke malafide bestuurders te weren. De Wet Bibob is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument waarmee de integriteit van het bedrijf dat een vergunning aanvraagt of daarover beschikt kan worden getoetst om de integriteit van de overheid te beschermen.” (Kamerstukken II2025/26, 36 843, nr. 3, p. 7.)

Het is nu afwachten of het wetsvoorstel (in haar huidige vorm) de eindstreep haalt. NB De Richtlijn had op 21 december 2025 al geïmplementeerd moeten zijn;Kamerstukken II 2025/26, 36 843,nr. 3, p. 1.

Op 7 juli 2026 verscheen het verslag van de behandeling van het voorstel in de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2025/26, 36 843, nr. B). Blijkens dat verslag hebben diverse Kamerleden kritische vragen gesteld en zorgen geuit over de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Het is nu aan de regering om in een nota met antwoorden te komen. Een gelopen race is het dus nog niet – wordt vervolgd.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.