Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Vergunningvrij bouwen nader beschouwd/ de vergunningvrije mantelzorgwoning

In de artikelen 2 en 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) treft u regels aan over het vergunningvrij bouwen van bouwwerken. Over de toepassing van beide artikelen wordt niet altijd hetzelfde gedacht. Hierna geven wij graag onze kijk op een aantal aspecten van het vergunningvrij bouwen. Voor de leesbaarheid wordt in eerste instantie artikel 3 behandeld. Ook maken wij van de gelegenheid gebruik om de opname van mantelzorgwoningen in het Bor onder de aandacht te brengen.

InterConcept 29 November 2011

In de artikelen 2 en 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) treft u regels aan over het vergunningvrij bouwen van bouwwerken. Over de toepassing van beide artikelen wordt niet altijd hetzelfde gedacht. Hierna geven wij graag onze kijk op een aantal aspecten van het vergunningvrij bouwen. Voor de leesbaarheid wordt in eerste instantie artikel 3 behandeld. Ook maken wij van de gelegenheid gebruik om de opname van mantelzorgwoningen in het Bor onder de aandacht te brengen.

Artikel 3 Bijlage II Bor

Voor de in artikel 3 genoemde situaties hoeft voor een combinatie van de activiteiten "bouwen" en "strijdig planologisch gebruik" geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd, mits het project past binnen het bestemmingsplan. Wordt niet voldaan aan het bestemmingsplan, dan is voor het strijdige planologische gebruik alsnog een omgevingsvergunning nodig. Daarbij gaat het om het gebruik in enge en in ruime zin. Dus niet alleen het gebruik maar ook het bouwen wordt beschouwd als planologisch gebruik. Een bestemmingsplan kent namelijk niet alleen regels voor het gebruik maar ook voor het bouwen. De activiteit bouwen blijft bij strijd met het bestemmingsplan wel vergunningvrij, mits natuurlijk sprake is van een activiteit die wordt genoemd in artikel 3.

De oppervlakte van gebouwen, welke worden opgericht op grond van artikel 3, wordt in mindering gebracht op de bebouwingscapaciteit in het bestemmingsplan. Via artikel 3 worden de bouwmogelijkheden derhalve niet (tenminste) verdubbeld. Een tegenovergestelde benadering lijkt in tegenspraak met de bedoelingen van de wetgever. Deze heeft alleen voor ogen gehad de toepassing van de mogelijkheden in het bestemmingsplan eenvoudiger te maken. Nimmer is het doel geweest de bouwmogelijkheden te verruimen.

Artikel 2 Bijlage II Bor
Algemeen

Bij toepassing van artikel 2 hoeft niet te worden getoetst aan het bestemmingsplan. Althans, voor zowel het bouwen als het planologisch strijdige gebruik hoeft geen omgevingvergunning te worden aangevraagd. Het bestemmingsplan kan daarentegen niet volledig ter zijde worden geschoven. Voor de bepaling van de omvang van het "erf" wordt in artikel 1 van Bijlage II namelijk verwezen naar het bestemmingsplan. Verder dient bij het oprichten van een bijbehorend bouwwerk een functionele relatie te bestaan met het hoofdgebouw. En het gebruik van het hoofdgebouw blijkt weer uit het bestemmingsplan. Deze eis kan niet worden omzeild via met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het hoofdgebouw. Bij strijdig gebruik blijven de artikelen 2 en 3 buiten toepassing[1].

Verhouding tot het bestemmingsplan

Veel onduidelijkheid heerst er rondom het wel of niet meetellen van bijbehorende bouwwerken welke op grond van artikel 2 zonder vergunning zijn opgericht. Gaat de oppervlakte van deze bouwwerken, net als bij "artikel 3-bouwwerken", ook ten koste van de ruimte die het bestemmingsplan geeft?

In de toelichting bij het Bor wordt gesteld dat de vroegere jurisprudentie "relevant" blijft. Dit betreft de rechtspraak waarin is bepaald dat vergunningvrij gebouwde bouwwerken in beginsel niet meegerekend worden bij de oppervlakteberekening ingevolge het bestemmingsplan[2]. In deze jurisprudentie wordt een link gelegd met artikel 20 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Deze bepaling ging op 1 juli 2008 over in artikel 3.25 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Via een indirecte toepassing van beide bepalingen werd de oppervlakte van vergunningvrije bouwwerken buiten beschouwing gelaten bij een toets aan het bestemmingsplan. Deze oppervlakte werd daardoor niet in mindering gebracht op de maximale oppervlakte aan bijgebouwen in het bestemmingsplan.

Maar laat nu net artikel 3.25 per 1 oktober 2010[3] uit de Wro zijn verwijderd. Daardoor staat de toepasbaarheid van de eerdergenoemde jurisprudentie toch enigszins op losse schroeven. Wat de vraag doet rijzen wat de wetgever heeft bedoeld met de stelling dat de vroegere jurisprudentie "relevant" blijft. Het antwoord is mogelijk gelegen in de aanpassing van het (concept) Bor in 2010. In het eerdere concept van het Bor van 8 juni 2009 zag de regeling voor vergunningvrij bouwen er namelijk geheel anders uit. In die oudere conceptregeling was sprake van een maximum aan bijbehorende bouwwerken van 100 m2. Waarbij het er niet toe deed of gebouwd was met of zonder vergunning. In die benadering paste geen anticumulatieregeling waarbij bouwvergunningvrije bouwwerken niet meetelden bij een oppervlakteberekening ingevolge het bestemmingsplan. Deze "100 m2-regeling" was voor een meerderheid van de Tweede Kamer niet acceptabel. En werd vervangen door de huidige waarbij het vergunningvrije bouwen is verspreid over twee artikelen. Wij sluiten niet uit dat in het kader van deze aanpassingen onbedoeld is verzuimd om, in relatie tot artikel 2 van Bijlage II, artikel 3.25 in ere te herstellen. Het wordt afwachten hoe de bestuursrechters hiermee omgaan.

Mantelzorgwoningen

Bij de bouw van mantelzorgwoningen wordt het te doorlopen vergunningentraject als een belemmering ervaren. Daarom stelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een aantal aanpassingen voor[4].

Ten eerste zal voor de bouw van een mantelzorgwoning geen omgevingsvergunning meer nodig zijn. Hetzelfde geldt met betrekking tot de eventuele opheffing van planologisch strijdig gebruik. Hierbij zal wel aan een aantal, nog uit te werken, wettelijke voorwaarden moeten worden voldaan. Deze voorwaarden worden vastgelegd in artikel 2 van Bijlage II bij het Bor. Blijkt wel een omgevingsvergunning voor het strijdige planologische gebruik nodig, dan kan de (korte) reguliere voorbereidingsprocedure worden doorlopen. Daartoe wordt de mantelzorgwoning toegevoegd aan artikel 4 van Bijlage II (de "kruimellijst").

Een mantelzorgwoning wordt in beginsel opgericht voor een tijdelijke behoefte. Het Bor kent daarvoor bij planologische afwijkingen van het bestemmingsplan een algemene termijn van maximaal vijf jaar. Deze termijn zal worden gesteld op 10 jaar. Wordt de mantelzorgwoning voor ten hoogste 10 jaar opgericht, dan gelden daardoor minder zware kwaliteitseisen. De woning hoeft dan niet te voldoen aan de reguliere nieuwbouweisen van het Bouwbesluit.

Wij vragen ons af hoe van te voren kan worden bepaald voor welke periode de zorgwoning nodig is. En wat doet het bevoegd gezag wanneer betrokkene langer dan 10 jaar behoefte blijkt te hebben aan de mantelzorgwoning? Dient de woning dan alsnog aan hogere kwaliteitseisen te voldoen? Bovendien is het de vraag of het wenselijk is dat een woonruimte niet hoeft te voldoen aan de reguliere woningeisen uit het Bouwbesluit. En kennen inmiddels niet vrijwel alle gemeenten een binnenplanse mantelzorgregeling waarvoor de (korte) reguliere voorbereidingsprocedure toch al geldt? Verder zal de beperking dat het aantal woningen niet mag vermeerderen, nog ter zijde moeten worden geschoven. Een mantelzorgwoning is immers ook een woning. En bij toepassing van de kruimellijst mag het aantal woningen niet toenemen[5].

We zijn benieuwd naar de uitwerking van deze regeling.

Tot slot

Zoals u hiervoor heeft kunnen concluderen, is het omgevingsrecht voortdurend in beweging. Zo zijn er naar verluidt nog meer wijzigingen van Bijlage II van het Bor in aantocht. Wij houden u graag op de hoogte.

[1] Zie artikel 5, lid 2 van Bijlage II bij het Bor.

[2] Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 juli 2002, 200101969/1, LJN: AE5113

[3] Inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

[4] Zie de brief van 24 november 2011 met kenmerk 2011056209.

[5] Zie artikel 5, lid 1 bijlage II Bor

Door InterConcept

Artikel delen