De Nederlandse bouwsector stuurt nog vooral op CO₂-reductie, terwijl de risico’s voor natuur en biodiversiteit in de keten veel minder systematisch worden meegewogen. Uit het onderzoek Verkenning natuurrisico’s bouwmaterialen van Structural Collective en Copper8 blijkt dat de winning en productie van beton, staal, asfalt en hout op uiteenlopende locaties substantiële natuurrisico’s veroorzaken, die sterk verschillen per materiaal, productieketen en geografische context.

Het onderzoek plaatst de natuurrisico’s nadrukkelijk in het bredere kader van bouwen binnen planetaire grenzen. Daarmee verschuift de focus van alleen emissiereductie op de bouwplaats naar een bredere benadering van ketenimpact, grondstofwinning, watergebruik, landgebruik en biodiversiteit.
De verkenning maakt duidelijk dat natuurrisico’s niet alleen samenhangen met de hoeveelheid milieu-impact, maar ook met de toestand van de natuur op de plek waar die impact plaatsvindt. Hetzelfde watergebruik of dezelfde uitstoot kan op de ene locatie beperkt effect hebben en op een andere locatie juist grote risico’s opleveren, bijvoorbeeld in gebieden met bestaande waterschaarste, hoge stikstofdruk of een hoge ecologische intactheid. Het onderzoek gebruikt daarvoor de methodologie van het Science Based Targets Network (SBTN) en kijkt naar de keten van winning tot productie van bouwmaterialen, met een locatiespecifieke analyse van risico’s bij de winning van grondstoffen.
Daarmee biedt het rapport een ander perspectief dan instrumenten als MPG en MKI, die wel milieueffecten optellen maar geen direct zicht geven op waar natuurrisico’s in de keten het grootst zijn. Volgens de verkenning is juist dat inzicht nodig om gerichter te kunnen sturen op beperking van schade en op natuurherstel.
Voor beton liggen de grootste natuurrisico’s bij de winning van zand en grind, met name in Nederland, België en Duitsland. Die winning vindt geregeld plaats in gebieden waar water al schaars is en waar de druk op bodem- en waterecosystemen door biochemische vervuiling, waaronder stikstof, al hoog is. In Limburg bijvoorbeeld leidt zand- en grindwinning volgens het rapport tot aanzienlijk watergebruik in een gebied waar de waterbeschikbaarheid al onder druk staat. Ook al zijn dit vaak geen gebieden met een zeer hoge ecologische intactheid, toch kunnen de effecten op bodemstructuur, hydrologie en lokale habitats groot en deels onomkeerbaar zijn.
Voor asfalt is het beeld vergelijkbaar. Ook daar spelen watergebruik, landgebruik en biochemische vervuiling een belangrijke rol, vooral bij de winning van zand, steenslag en kalksteen. Daarbij komen middelhoge tot hoge risico’s naar voren bij steenslagwinning in onder meer Noorwegen, Schotland en Duitsland, onder andere vanwege de ligging van groeves in ecologisch gevoelige kustgebieden. De productie van asfalt zelf is bovendien energie-intensief en veroorzaakt een groot deel van de klimaatimpact en verzurende emissies.
Bij staal zijn de productiefase en het gebruik van fossiele brandstoffen dominant voor de milieu-impact, maar de grootste natuurrisico’s bij winning liggen volgens het onderzoek bij ijzererts-, steenkool- en vooral nikkelwinning. Met name nikkelwinning in landen als Brazilië, Colombia, Indonesië en Nieuw-Caledonië vindt plaats in gebieden met een hoge tot zeer hoge ecologische intactheid en een groot aantal bedreigde soorten. Juist daar kan verandering van landgebruik door mijnbouw leiden tot zware en blijvende schade aan ecosystemen. Ook steenkoolwinning in onder meer Polen, de Verenigde Staten en Australië brengt risico’s mee door watervervuiling, verzuring en aantasting van landschappen.
Voor hout valt op dat de milieu-impact en CO₂-uitstoot relatief laag zijn in vergelijking met beton, staal en asfalt, maar dat houtproductie veel land vraagt. De grootste natuurrisico’s liggen bij tropisch hout en hout uit boreale bossen. In tropische bossen is sprake van hoge tot zeer hoge risico’s door de aanwezigheid van bedreigde soorten en de kwetsbaarheid van ecosystemen. In boreale bossen speelt vooral de hoge ecologische intactheid een rol. Tegelijkertijd laat het rapport zien dat de risico’s voor samengestelde houtproducten uit Centraal-Europa beperkter lijken, mede door strengere regelgeving en een relatief hoog aandeel gecertificeerd hout.
De verkenning benoemt drie hoofdrichtingen voor de bouwsector. De eerste is het verminderen van het gebruik van primaire grondstoffen. Minder materiaalgebruik betekent minder winning, minder productie, minder milieu-impact en dus minder natuurrisico’s. Daarbij gaat het niet alleen om efficiënter ontwerpen en bouwen, maar ook om hoogwaardiger hergebruik en betere recycling.
De tweede richting is versnelde CO₂-reductie. Volgens het rapport gaat die in veel gevallen samen met lagere natuurrisico’s, omdat minder fossiele brandstoffen nodig zijn in winnings- en productieprocessen. De derde richting is ketentransparantie en sturing op verantwoorde herkomst. Omdat nieuwe materialen voorlopig nodig blijven, moeten opdrachtgevers, ontwikkelaars en bouwers beter zicht krijgen op waar grondstoffen vandaan komen en welke risico’s daar spelen. Voor hout vertaalt zich dat concreet in het verhogen van het aandeel gecertificeerd hout richting 100 procent.
Het volledige onderzoek van Structural Collective en Copper8 is hier te vinden: Verkenning natuurrisico's bouwmaterialen
