Na mijn bijdrage “Wanneer de overheid de boer als sluitpost behandelt” is er een belangrijk vervolg: minister Jaimy van Essen heeft Kamervragen beantwoord over het voornemen van Noord-Brabant om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken.

Die brief van de minister verdient nauwkeurige lezing. De minister erkent dat intrekking voor deze ondernemers buitengewoon ingrijpend is. Belangrijker nog: hij schrijft dat het stikstofpakket van het kabinet van 26 juni jl. in beginsel voldoende basis moet kunnen bieden om handhavingsverzoeken gemotiveerd af te wijzen. Ook roept hij alle betrokken partijen op om alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Dat is een belangrijke opening. Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Nog lang niet. Want zolang deze vijf boeren nog steeds boven de markt hebben hangen dat hun vergunning kan worden ingetrokken, blijft de kernvraag staan: wat is een rechtsgeldige vergunning nog waard als de overheid haar eigen systeem niet op orde heeft? Deze ondernemers hebben binnen het bestaande stelsel gewerkt. Zij hebben geïnvesteerd, gereduceerd, overleg gevoerd en geprobeerd mee te bewegen. Dan mag intrekking niet het bestuurlijke vertrekpunt zijn. En dat lijkt nu nog steeds de gedachte.
De provincie is bevoegd gezag en moet zorgvuldig besluiten. Het Rijk is systeemverantwoordelijk en moet zorgen dat het aangekondigde pakket ook nú bescherming biedt. De uitweg ligt dus niet in doorschuiven, maar in gezamenlijk handelen: reductieplannen serieus beoordelen, eerdere reducties volledig meewegen en intrekking alleen nog zien als uiterste middel.
Voor deze vijf boeren moet de overheid doen wat zij zegt te willen: alles op alles zetten om intrekking te voorkomen.
