In een in opdracht van het ministerie van EZ uitgevoerde verkenning van Rebel en Fakton staat dat de transformatie van binnenstedelijke bedrijventerreinen naar gemengde woon-werkgebieden structurele spanningen met zich meebrengt. Gemeenten willen woningen toevoegen, maar tegelijk ook ruimte voor werk behouden of terugbrengen. Dat blijkt in de praktijk financieel en ruimtelijk vaak lastig, zeker wanneer verplaatsing van bestaande bedrijven nodig is.
Bij gebiedstransformaties is verplaatsing van bedrijven lang niet altijd vanzelfsprekend. Bedrijven vertrekken doorgaans alleen vrijwillig, bijvoorbeeld wanneer een geschikte alternatieve locatie beschikbaar is en de financiële gevolgen voldoende worden gecompenseerd. Juist daar wringt het vaak: in veel stedelijke regio’s ontbreekt ruimte op bedrijventerreinen, zeker voor bedrijven met een hogere milieucategorie, watergebonden activiteiten of een zware netaansluiting.
De kosten van uitplaatsing lopen daarbij sterk uiteen. In reguliere situaties varieert de bandbreedte indicatief van circa € 300 tot € 1.400 per m² kavel, terwijl bij complexere functies zoals afvalcentrales, fabrieken of spooremplacementen ook hogere bedragen voorkomen.
Gemeenten sturen in transformatiegebieden vaak op behoud of toevoeging van werkruimte, bijvoorbeeld via programmering in gebiedsvisies, tenders of het omgevingsplan. Nieuwe bedrijfsruimte levert echter doorgaans een lagere grondwaarde op dan woningbouw. Daardoor vergroot het opnemen van werkfuncties regelmatig de onrendabele top van gebiedsontwikkelingen.
Het rapport pleit daarom onder meer voor een doelmatigheidstoets bij rijksbijdragen aan verplaatsingskosten, meer regionale afspraken over ruimte voor bedrijvigheid, bescherming van terreinen met bijzondere kenmerken en extra ondersteuning voor betaalbare ruimte voor werk. Ook netcongestie en bereikbaarheid van werklocaties vragen daarbij nadrukkelijk aandacht.
