In twee voor de 13b Opiumwet-praktijk relevante uitspraken van 5 augustus 2026 heeft de Afdeling het verlossend antwoord gegeven op de vraag: kan een last onder dwangsom worden opgelegd, die geldt voor de hele gemeente? Dus ongeacht het pand waarin de Opiumwet is overtreden.

De Afdeling is duidelijk: dat kan niet!
Volgens de Afdeling is de bevoegdheid van de burgemeester gekoppeld aan wat in een specifiek pand is aangetroffen. Het is een pandgerichte maatregel. Dat geldt zowel voor de last onder bestuursdwang als voor de last onder dwangsom, als daarvan afgeleide bevoegdheid.
Ook als, zoals in een van de kwesties, appellant geen toegang meer heeft tot het pand (de eigenaar had de sloten vervangen), mag de burgemeesters om herhaling op een andere locatie te voorkomen, geen last opleggen die zich uitstrekt over de hele gemeente. Dat is buiten de grenzen van zijn bevoegdheid.
Dat de burgemeester de bestrijding van drugsoverlast in de gemeente van groot belang vindt en daarom een ruime blik op artikel 13b heeft, doet daar niets aan af, aldus de Afdeling.
Ook verduidelijkt de Afdeling dat artikel 13b geen grondslag bevat voor bestuursrechtelijke handhaving van artikel 3 van de Opiumwet, dat mede het verbod op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van softdrugs omvat.
Hoewel op het eerste oog geen onlogische uitspraak, is er veel over te zeggen. Niet in de laatste plaats onderstreept de uitspraak m.i. de mindere geschiktheid van de last onder dwangsom bij de bestuurlijke aanpak van Opiumwetovertredingen. Daarbij staat immers per definitie de overtreder en niet “het pand” centraal.
Het lijkt er daarnaast op dat de Afdeling de pandgerichtheid soms wel, maar meestal niet centraal stelt, bijvoorbeeld bij de verwijtbaarheidsvraag als deelaspect van de evenredigheidstoets (onderdeel: evenwichtigheid) Een geval van “pour besoins de la cause”?