De uitspraak Rechtbank Oost-Brabant 2 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3295, gaat over de omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bedrijfswoning aan de [adres] in [woonplaats] als woning zonder functionele binding met het bedrijf. Het college heeft de vergunning verleend met gebruikmaking van de regeling ‘woningen met een voormalige functionele binding met een bedrijf’ zoals deze in artikel 5.62, artikel 5.85, artikel 5.89e en artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) uitgewerkt is. Het college vindt dat het bloemenbedrijf van eisers activiteiten verricht in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.205 van het Bal, zodat daarom de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl toepasbaar zijn.

Het is niet in geschil dat eisers thans geen bloemen telen in kassen. De rechtbank acht echter niet het feitelijk gebruik op de bedrijfslocatie waar de voormalige bedrijfswoning bij hoort van belang, maar wat op die locatie planologisch is toegestaan. Op de bedrijfslocatie van eisers is het toegestaan om gewassen in kassen te telen, en dat is een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Bal. In dat kader merkt de rechtbank nog op dat een glastuinbouwbedrijf in artikel 1 van de planregels is gedefinieerd als een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt. Dat het bij artikel 3.205 van het Bal moet gaan om een (grootschalig) glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de planregels, zoals eisers betogen, blijkt niet uit artikel 3.205 van het Bal en evenmin volgt dit uit de wetsgeschiedenis waar eisers naar verwijzen.
De rechtbank stelt voorop dat eisers op dit moment geen gewassen telen. Evenmin is gebleken van een concreet voornemen van eisers om het huidige gebruik van hun gronden voor een bloemenhandel te wijzigen in het telen van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt (ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, onder 36.2). Eisers hebben ook slechts aangegeven dat zij die mogelijkheid open wensen te houden. Een verandering van het bestaande gebruik acht de rechtbank echter zodanig onwaarschijnlijk, dat in redelijkheid niet van het college kan worden gevergd om meer rekening te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden. De rechtbank acht verder van belang dat het bedrijfsperceel van eisers over de gehele zuidgrens al grenst aan het woonperceel aan de [adres] , en dat ook het woonperceel aan de [adres] op een afstand van circa 27 meter ligt tot het bedrijfsperceel van eisers. Beide woonpercelen belemmeren eisers reeds in hun mogelijkheden om hun bedrijfsvoering om te schakelen naar teelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Indien een afstand van 50 meter wordt aangehouden vanaf het woonperceel aan de [adres] , resteert binnen het perceel van eisers geen ruimte voor teelt.
Ook wordt in deze uitspraak getoetst aan de proviniale Omgevingsverordening. Op grond van artikel 5.21 van de Omgevingswet en artikel 8.0b van het Bkl zijn de instructieregels van in dit geval de Omgevingsverordening Noord-Brabant op de beoordeling van de aanvraag om de onderhavige omgevingsvergunning van overeenkomstige toepassing. Artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl bepaalt dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bedrijfswoning aan de [adres] in [woonplaats] als woning zonder functionele binding met het bedrijf. Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- De omgevingsvergunning ziet op het gebruiken van de voormalige bedrijfswoning aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie) als woning zonder functionele binding met het bedrijf waar het planologisch gezien bij hoort. Dat betekent dat de voormalige bedrijfswoning door derden regulier kan worden bewoond. De voormalige bedrijfswoning diende voorheen als tweede bedrijfswoning bij het bloemenbedrijf van eisers aan de [adres] in [woonplaats] . De voormalige bedrijfswoning is sinds 2010 niet meer in gebruik als bedrijfswoning en is verkocht aan vergunninghouders.
- Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Cuijk (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Buitengebied 2010” en de daaropvolgende herziening uit 2016 (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Bedrijf” toegekend, alsmede onder meer de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 2’.
- Het college heeft de vergunning verleend met gebruikmaking van de regeling ‘woningen met een voormalige functionele binding met een bedrijf’ zoals deze in artikel 5.62, artikel 5.85, artikel 5.89e en artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) uitgewerkt is.
Kan gebruik worden gemaakt van de regeling woningen met een voormalige functionele binding met een bedrijf?
Eisers voeren aan dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de regeling woningen met een voormalige functionele binding met een bedrijf. De bedrijfswoning aan de [adres] was namelijk voorheen niet functioneel verbonden met een activiteit in de agrarische sector, terwijl de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl dat wel vereisen. Het bedrijf van eisers valt namelijk niet binnen de reikwijdte van artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het telen van gewassen in kassen is op grond van de planregels ter plaatse immers niet toegestaan, omdat de gronden waarop het bedrijf van eisers staat niet zijn bestemd voor een glastuinbouwbedrijf. Glastuinbouwbedrijven (en andere agrarische bedrijven) hebben in het omgevingsplan een aanduiding als ‘agrarisch bedrijf’ waarbij glastuinbouwbedrijven een nadere aanduiding hebben als ‘glastuinbouwbedrijf’.
Het college vindt dat het bloemenbedrijf van eisers activiteiten verricht in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.205 van het Bal, zodat daarom de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl toepasbaar zijn.
Artikel 5.62 van het Bkl regelt dat bepaald kan worden dat waarden over het geluid door een activiteit niet van toepassing zijn op een geluidgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. Het moet dan gaan over geluid door een activiteit verricht op een bedrijventerrein, in de horecasector of in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Bal. De artikelen 5.85, 5.89e en artikel 5.96 van het Bkl regelen hetzelfde voor waarden voor trillingen, slagschaduw door een windturbine en geur. Deze regels zijn op grond van artikel 8.0b van het Bkl ook van toepassing op de verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zoals in deze procedure aan de orde is.
Artikel 3.205 van het Bal luidt als volgt:
a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
b. voor educatieve doeleinden;
c. bij onderzoeksinstellingen; of
d. bij volkstuinen.
Het is niet in geschil dat eisers thans geen bloemen telen in kassen. De rechtbank acht echter niet het feitelijk gebruik op de bedrijfslocatie waar de voormalige bedrijfswoning bij hoort van belang, maar wat op die locatie planologisch is toegestaan.
Op grond van het omgevingsplan geldt voor het perceel van eisers de bestemming “Bedrijf” met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 7’. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Bedrijf” aangewezen gronden bestemd voor onder meer bedrijven, die zijn opgenomen in de ‘Tabel Bedrijven’, waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak. Uit de ‘Tabel Bedrijven’ dat als bijlage bij de planregels is opgenomen, volgt dat ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 7’ een ‘agrarisch verwant bedrijf (bloementeelt/handel)’ is toegestaan. Een agrarisch verwant bedrijf is in de planregels gedefinieerd als “een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden. Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn: dierenasiels, dierenklinieken, groen-composteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs, proefbedrijven, boomrooierij.” Hieruit volgt dat het bedrijfsmatig telen van bloemen is toegestaan op het perceel van eisers. De rechtbank is verder van oordeel dat de bouw van kassen op het perceel van eisers is toegestaan. Ingevolge de planregels kunnen op het perceel van eisers namelijk bedrijfsgebouwen worden gebouwd tot een goothoogte van 4,5 meter en een bouwhoogte van 8 meter. Dat, zoals eisers stellen, glastuinbouwbedrijven in de systematiek van het omgevingsplan een nadere aanduiding hebben als ‘glastuinbouwbedrijf’ doet daar niet aan af. De planregels zijn namelijk duidelijk. Op de bedrijfslocatie van eisers is het toegestaan om gewassen in kassen te telen, en dat is een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Bal. In dat kader merkt de rechtbank nog op dat een glastuinbouwbedrijf in artikel 1 van de planregels is gedefinieerd als een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt. Dat het bij artikel 3.205 van het Bal moet gaan om een (grootschalig) glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de planregels, zoals eisers betogen, blijkt niet uit artikel 3.205 van het Bal en evenmin volgt dit uit de wetsgeschiedenis waar eisers naar verwijzen ( Staatsblad 2018, 293, pagina 897 en 898). De rechtbank is daarom van oordeel dat het college in zoverre toepassing heeft kunnen geven aan de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl. Deze grond slaagt niet.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat eisers wel vinden dat het omgevingsplan toestaat dat zij gewassen in de open lucht mogen telen op hun bedrijfslocatie. Het telen van gewassen in de open lucht is een activiteit als bedoeld in artikel 3.208 van het Bal, zodat het college in dat geval ook op grondslag van artikel 3.208 van het Bal toepassing had kunnen geven aan de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl.
Reguliere bewoning is ongewenst
Eisers voeren aan dat reguliere bewoning van de voormalige bedrijfswoning ongewenst is. Het college heeft in een e-mailbericht van 26 juli 2021 op een vraag van vergunninghouders al gereageerd dat het ruimtelijk gezien niet mogelijk is om op de locatie (regulier) te wonen. Bij brief van 21 juni 2021 heeft het college een daartoe strekkend principeverzoek van vergunninghouders afgewezen. Aan de ruimtelijk relevante feiten en omstandigheden is sinds de afwijzing van het principeverzoek niets veranderd. Het is daarom onbegrijpelijk waarom nu wel medewerking zou kunnen worden verleend aan reguliere bewoning van de voormalige bedrijfswoning.
Het college heeft toegelicht dat het reguliere bewoning onwenselijk vindt. Onder de Omgevingswet is de regeling van de voormalige Wet plattelandswoningen omgezet en tevens breder inzetbaar gemaakt, zodat nu toepassing gegeven kan worden aan de regeling ‘woningen met een voormalige functionele binding met een bedrijf’. Een plattelandswoning is iets anders dan regulier wonen met behulp van een nieuw verkregen woonbestemming. Een voormalige bedrijfswoning maakt namelijk nog steeds deel uit van de activiteit waarmee de bedrijfswoning voorheen functioneel was verbonden en kent dus onder andere een lager beschermingsniveau.
De rechtbank overweegt als volgt. Het college heeft beslissingsruimte om al dan niet toepassing te geven aan zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bewonen van de voormalige bedrijfswoning zonder binding met het bedrijf. De rechtbank begrijpt dat het college in het verleden er niet aan heeft willen meewerken dat de in geding zijnde bedrijfswoning planologisch zou worden losgekoppeld van het bedrijf van eisers, zodat de woning ook regulier kon worden bewoond. Daargelaten de omstandigheid dat het college niet gehouden is vast te blijven houden aan dit eerdere principestandpunt, gaat het in deze zaak niet om het planologisch loskoppelen van de bedrijfswoning. De voormalige bedrijfswoning blijft met het bestreden besluit in planologisch opzicht namelijk deel uitmaken van het bedrijf van eisers. Dat is een andere situatie dan waarover het college in het verleden al een principestandpunt heeft ingenomen. De rechtbank begrijpt dat eisers ook die situatie ongewenst vinden, en daarover gaan hun volgende beroepsgronden. Die beroepsgronden bespreekt de rechtbank navolgend.
Spuitzones
Eisers voeren aan dat ten aanzien van gewasbescherming ten onrechte geen locatiespecifiek onderzoek is uitgevoerd. Op het perceel van eisers is bloementeelt toegestaan. Dit recht willen eisers ook behouden. Volgens eisers dient bij het ontbreken van een locatiespecifiek onderzoek op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3018, ten minste een afstand van 50 meter aangehouden te worden tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Bij de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet niet alleen rekening worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden van het plan dat geldt voor de omliggende agrarische gronden. Aan de afstand van 50 meter wordt niet voldaan.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het feitelijk gebruik van het perceel van eisers als uitgangspunt genomen kan worden, zodat spuitemissie op het perceel van eisers niet aan de orde is en geen rekening hoeft te worden gehouden met een spuitzone. Het perceel van eisers is namelijk nagenoeg volledig bebouwd, waarbij de niet bebouwde delen nodig lijken te zijn voor de bereikbaarheid van de locatie. Dit mede gelet op de vervoersbewegingen met bestelbussen en een vrachtwagen. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat alle of gedeelten van de opstallen van het bedrijf worden geamoveerd zodat de gronden (effectief) kunnen worden gebruikt voor open teelt. Er is tevens niet gebleken van concrete plannen daarvoor of een indicatie uit recent verleende omgevingsvergunningen en of gedane meldingen dan wel uitlatingen. Ook liggen andere bestaande woningen al in de nabijheid van het bedrijfsperceel van eisers.
Het bedrijfsperceel van eisers en het perceel met daarop de voormalige bedrijfswoning van vergunninghouders grenzen aan elkaar. Zoals de rechtbank onder overweging 4.5 al heeft overwogen, staat het bestemmingsplan het telen van gewassen op het perceel van eisers toe, en uit het bestemmingsplan volgen geen beperkingen ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op het perceel van eisers. Gelet op de spuitzone van 50 meter die als vuistregel geldt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de nabijheid van woningen, bestaat dus de mogelijkheid dat eisers, vanwege de nabijheid van de voormalige bedrijfswoning van vergunninghouders, zullen worden beperkt in de uitoefening van hun maximale mogelijkheden volgens het bestemmingsplan. De vraag die voorligt is of het college met die mogelijkheid meer rekening had moeten houden bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, en licht dit als volgt toe.
De rechtbank stelt voorop dat eisers op dit moment geen gewassen telen. Evenmin is gebleken van een concreet voornemen van eisers om het huidige gebruik van hun gronden voor een bloemenhandel te wijzigen in het telen van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt (ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, onder 36.2). Eisers hebben ook slechts aangegeven dat zij die mogelijkheid open wensen te houden. Een verandering van het bestaande gebruik acht de rechtbank echter zodanig onwaarschijnlijk, dat in redelijkheid niet van het college kan worden gevergd om meer rekening te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden. Dit zou betekenen dat eisers de bestaande aanwezige bedrijfsbebouwing nagenoeg volledig moeten verwijderen, terwijl ook de omvang van het bedrijfsperceel van eisers met een oppervlakte van circa 2.100 m2 redelijkerwijs aan het voeren van een economisch rendabel teeltbedrijf in de weg staat. Daarom acht de rechtbank machinaal bespuiten eveneens niet aannemelijk (ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1410). De rechtbank acht verder van belang dat het bedrijfsperceel van eisers over de gehele zuidgrens al grenst aan het woonperceel aan de [adres] , en dat ook het woonperceel aan de [adres] op een afstand van circa 27 meter ligt tot het bedrijfsperceel van eisers. Beide woonpercelen belemmeren eisers reeds in hun mogelijkheden om hun bedrijfsvoering om te schakelen naar teelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Indien een afstand van 50 meter wordt aangehouden vanaf het woonperceel aan de [adres] , resteert binnen het perceel van eisers geen ruimte voor teelt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ingevolge vaste jurisprudentie ook aan tuinen bij woningen bescherming vanwege spuitzones toekomt (16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3303). De rechtbank betrekt hierbij tot slot dat de voormalige bedrijfswoning van vergunninghouders een lager beschermingsniveau geniet dan een perceel met de bestemming "Wonen". Deze grond slaagt dus niet.
Geluid
Eisers voeren aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is getoetst aan de VNG-publicatie “Handreiking bedrijven en milieuzonering”. Die Handreiking is vervangen door de “Handreiking Activiteiten en milieuzonering”. Daarmee is het bestreden besluit in zoverre al onzorgvuldig voorbereid. Verder is de haalbaarheid van het voorschrift dat de minimale karakteristieke geluidwering van de gevels van de woning ten minste 20 dB(A) moet bedragen niet aangetoond. De aanname dat de bestaande gevels conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) een karakteristieke geluidwering van ten minste 20 dB(A) hebben achten eisers niet realistisch. Die norm uit artikel 4.102 van het Bbl is van toepassing bij nieuwbouw. De woning waar het hier om gaat is meer dan 50 jaar oud. Ook is in het akoestisch onderzoek ten onrechte slechts gekeken naar de geluidbelasting vanwege vervoersbewegingen in de huidige feitelijke bedrijfssituatie. Gelet op zowel de geldende bedrijfsbestemming als de bedrijfsactiviteiten is het zonder meer mogelijk dat uiteenlopende andere bedrijfsactiviteiten kunnen en zullen plaatsvinden. Te denken valt aan de in- en verkoop van bloemen en planten en gerelateerde producten, de productie, verwerking en presentatie van bloemwerk en arrangementen en levering aan klanten voor diverse gelegenheden. Dergelijke activiteiten leiden uiteraard tot een andere geluidbelasting dan de belasting die is beoordeeld in het geluidonderzoek, aldus eisers. Verder is in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van eisers, terwijl dat op grond van rechtspraak van de Afdeling wel is vereist.7
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat los van de toetsing aan de Handreiking bedrijven en milieuzonering een geluidonderzoek heeft plaatsgevonden. Wat betreft de geluidwering van de gevel acht het college 20 dB snel te verwachten bij een goed onderhouden woning. Het geluidonderzoek is ook beoordeeld door de ODBN, en zij hebben hierover geen opmerking gemaakt. Het college merkt verder op dat door het bedrijf slechts in beperkte mate geluid wordt gegenereerd. Het gaat voornamelijk om enige bewegingen van een vrachtwagen en andere voertuigen. Het college ziet dan ook niet in dat niet kan worden gesteld dat de situatie ter plaatse van de woning vanuit een oogpunt van geluid algemeen aanvaardbaar is. Eisers zijn bovendien zelf woonachtig op de locatie van het bedrijf en hebben aldus eveneens belang bij een goed woon- en leefklimaat en het behoud daarvan. Ook komt een voormalige bedrijfswoning een lager beschermingsniveau toe. Eisers hebben volgens het college tot slot ook aangegeven geen concrete plannen te hebben voor een andere bedrijfsaanpak dat leidt tot meer geluid.
Met de norm van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt, zover deze ziet op de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat in een geval als dit, beoogd zowel de belangen van de omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, als de belangen van (agrarische) bedrijven bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen. Indien een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als woning zonder functionele binding maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van het bedrijf waar de bedrijfswoning eerder bij hoorde en wordt deze niet beschermd tegen de milieuemissie van dit bedrijf. Het bedrijf wordt op deze manier niet in haar bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de (voormalige) bedrijfswoning als burgerwoning. Dit betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van die woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Het college dient een eigen afweging te maken over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. Bij de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet niet alleen rekening worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden. Daarbij is het uitgangspunt dat die beoordeling dient te worden gemaakt aan de hand van een representatieve invulling van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024.8 Die rechtspraak is gewezen onder de figuur van de plattelandswoning als bedoeld in de Wet plattelandswoningen, zijnde de voorloper van instructieregels over ‘woningen met een voormalige functionele binding met een bedrijf’ uit artikel 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl. Uit de wetsgeschiedenis is het de rechtbank echter niet gebleken dat met deze instructieregels, behoudens een verbreding van de toepassingsmogelijkheden, geen voortzetting van de Wet plattelandswoningen is beoogd.9 De rechtbank acht de rechtspraak over plattelandswoningen daarom nog steeds toepasbaar.
Aan het bestreden besluit ligt een akoestisch onderzoek van K+ Adviesgroep van 27 september 2024 ten grondslag. Uit dat akoestisch onderzoek volgt dat ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning het maximale langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 36 dB(A) in de dagperiode bedraagt, en 29 dB(A) in de avondperiode en 33 dB(A) in de nachtperiode. De etmaalwaarde bedraagt maximaal 43 dB(A). De geluidsbelasting voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau blijft daarmee binnen de normen uit de Handreiking bedrijven en milieuzonering die gelden voor een gemengd gebied. De maximale geluidsniveaus bedragen ten hoogste 75 dB(A) in de dag- en nachtperiode. Daarmee wordt niet voldaan aan de norm voor een gemengd gebied. De overschrijding vindt plaats in de nachtperiode en komt door het laden en lossen in de nachtperiode.
Het college heeft in de omgevingsvergunning gemotiveerd dat het de overschrijding in de nachtperiode aanvaardbaar acht, mits de minimale karakteristieke geluidwering van de gevels van de voormalige bedrijfswoning ten minste 20 dB(A) bedraagt. In dat geval wordt namelijk voldaan aan het maximaal geluidniveau veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen van 55 db(A) uit artikel 5.66 van het Bkl. Om dit zeker te stellen heeft het college daarom in de omgevingsvergunning het volgende voorschrift opgenomen: “Conform het ingediende akoestisch onderzoek, moet de minimale karakteristieke geluidwering van de gevels van de woning, ten minste 20 dB(A) bedragen waardoor de grenswaarde voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten van de woning maximaal 55 dB(A) bedraagt.”
De rechtbank overweegt als volgt. In het akoestisch onderzoek zijn de optredende gevelbelastingen getoetst aan de Handreiking bedrijven en milieuzonering. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van de resultaten van het akoestisch onderzoek heeft kunnen uitgaan. Weliswaar is sindsdien de Handreiking Activiteiten en milieuzonering uitgebracht, maar niet is gesteld of gebleken dat het toepassen van de nieuwe handreiking zou leiden tot een andere berekende geluidsbelasting. Bovendien is zowel het gebruik van de Handreiking bedrijven en milieuzonering als de Handreiking Activiteiten en milieuzonering niet voorgeschreven in wet- of regelgeving, zodat het aan het college is om te beslissen of en zo ja, aan welke Handreiking het een aanvraag om omgevingsvergunning wil toetsen.
Eisers betwisten de uitkomsten van het akoestisch onderzoek als zodanig niet. Wel betwisten zij dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op hun perceel. De rechtbank constateert dat in het akoestisch onderzoek inderdaad de geluidsbelasting vanwege de huidige bedrijfsactiviteiten van eisers is berekend. Gelet op de geldende bestemming die het perceel van eisers heeft, is ter plaatse van het perceel van eisers ook slechts bloementeelt of bloemenhandel toegestaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat zij al overwogen heeft. In zoverre acht de rechtbank de huidige bedrijfsactiviteiten daarom representatief voor een maximale invulling van wat ter plaatse is toegestaan. Bovendien blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de vrachtwagenbewegingen in de nachtperiode maatgevend zijn voor de geluidbelasting. In de omstandigheid dat eisers inmiddels ook een koelcel in gebruik hebben of dat zij andere bedrijfsactiviteiten kunnen uitvoeren ziet de rechtbank daarom onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. De rechtbank merkt ook op dat eisers in zoverre door het bestreden besluit ook niet in hun bedrijfsvoering kunnen worden belemmerd, nu de voormalige bedrijfswoning niet wordt beschermd tegen de milieuemissie van het bedrijf waar deze voorheen bij hoorde.
Het college heeft tot slot in de beroepsprocedure verwezen naar een notitie van Peutz van 5 februari 2026, waarin indicatief de karakteristieke geluidwering van de maatgevende gevels is berekend. Uit die berekening blijkt dat voldaan wordt aan het voorschrift dat de minimale karakteristieke geluidwering van de gevels van de woning ten minste 20 dB(A) bedraagt. Eisers hebben die berekening niet betwist. Deze grond slaagt dus niet.
De Omgevingsverordening Noord-Brabant
Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning in strijd is met artikel 5.77 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. In de toelichting bij dat artikel staat dat in het algemeen er geen sprake is van een voormalige bedrijfswoning als op het perceel nog een agrarische of niet-agrarische functie wordt uitgeoefend. Dat is wel het geval. Het college had daarom de omgevingsvergunning moeten weigeren.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen strijd is met artikel 5.77 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Dit blijkt duidelijk uit artikel 5.77,
tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingsverordening en de toelichting daarbij. Het gaat niet om de wijziging van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning maar om toestaan van burgerbewoning in een bedrijfswoning. Dit is een mogelijkheid die de provincie zelf voordraagt in de toelichting op de Omgevingsverordening.
Op grond van artikel 5.21 van de Omgevingswet en artikel 8.0b van het Bkl zijn de instructieregels van in dit geval de Omgevingsverordening Noord-Brabant op de beoordeling van de aanvraag om de onderhavige omgevingsvergunning van overeenkomstige toepassing. Artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl bepaalt dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel 5.77 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant luidt als volgt:
1. Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied
a. bepaalt dat een toename van het aantal woningen is verboden;
b. bepaalt dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten;
c. kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen toestaan bij een woning als:
1. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, als bedoeld in artikel 5.12;
2. dit past binnen de voorwaarden die voor die gebruiksactiviteit zijn opgenomen in dit hoofdstuk; en
3. bij het toelaten van een bouwactiviteit, elders een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen, feitelijk en juridisch, is gesloopt.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a, is een toename van het aantal burgerwoningen mogelijk als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied, bedoeld in artikel 5.12, en in de volgende gevallen:
a. de woningen worden gerealiseerd met toepassing van artikel 5.14 of afdeling 5.5;
b. het de omzetting van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning betreft en is verzekerd dat:
1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; en
2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
3. In afwijking van het eerste lid onder a is een toename van het aantal bedrijfswoningen mogelijk als het gaat om de bouw van een eerste bedrijfswoning, of bij een grote vrijetijdsvoorziening een tweede bedrijfswoning, en de noodzaak daarvoor is aangetoond.
De omgevingsvergunning ziet op de omzetting van een bestaande bedrijfswoning in een burgerwoning. Hiermee is geen sprake van een toename van het aantal woningen, zodat de omgevingsvergunning niet in strijd is met artikel 5.77, eerste lid, onder a, van de Omgevingsverordening. Vanwege de verleende omgevingsvergunning neemt het aantal burgerwoningen wel toe. Een toename van het aantal burgerwoningen is op grond van artikel 5.77, tweede lid, onder b, van de Omgevingsverordening echter toegestaan. De rechtbank verwijst ook naar de toelichting op artikel 5.77 van de Omgevingsverordening, waarin staat dat als de bedrijfswoning feitelijk door derden wordt bewoond, met een gebruiksbepaling burgerbewoning kan worden toegelaten. De functie blijft dan bedrijfswoning. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd is met de instructieregels uit artikel 5.77 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze grond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Het college heeft de omgevingsvergunning kunnen verlenen.