De rechtbank Oost-Brabant heeft op 6 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5551 de inmiddels 189e BOPA-uitspraak gedaan. Vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van het pand aan de [adres] ten behoeve van kleinschalig begeleid wonen. Het college heeft met het besluit van 29 mei 2026 een omgevingsvergunning voor de activiteit “buitenplanse omgevingsplanactiviteit-gebruik” verleend.

Enkele interessante overwegingen:
De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvraag niet eenduidig is wat het aantal bewoners betreft. Op het aanvraagformulier staat dat de aanvraag ziet op 0-10 bewoners, maar in de ruimtelijke onderbouwing die onderdeel uitmaakt van de aanvraag wordt gerept over maximaal vijf bewoners, welk aantal vergunninghoudster ter zitting heeft bevestigd. In de omgevingsvergunning staat dat het gaat om de huisvesting van maximaal vijf jongeren/jongens. Aldus volgt hieruit dat het college kennelijk heeft beoogd te bepalen dat het maximumaantal bewoners in het pand vijf mag bedragen. Ter zitting is gebleken dat het college bereid is om uit een oogpunt van rechtszekerheid bij de te nemen beslissing op bezwaar alsnog in de vergunningvoorschriften op te nemen dat het maximumaantal bewoners vijf bedraagt.
Het verbinden van een voorwaarde aan de omgevingsvergunning, inhoudende welke leeftijdscategorie in het pand gehuisvest mag worden, voor zover verzoekster dit al heeft beoogd, is in beginsel niet mogelijk, omdat uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het algemeen niet van belang is wie de woning bewoont. Dat kan alleen in bijzondere gevallen om redenen van situering van woningen anders zijn.
ingevolge artikel 5.31, lid 1, onder b Omgevingswet een omgevingsvergunning kan worden geweigerd in de gevallen en onder voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob. Van een geval waarin volgens de Bibob-beleidsregel van de gemeente Eindhoven een Bibob-onderzoek moet worden uitgevoerd, is niet gebleken. De voorzieningenrechter stelt vast dat geen sprake is van een situatie waarin op grond van artikel 2:3 van de Bibob-beleidsregel verplicht een Bibob-onderzoek moet worden verricht. Het college heeft in het enkele feit dat verzoekster geen ervaring heeft met de beoogde opvang, wat daarvan ook zij, geen aanleiding behoeven te zien om een dergelijk onderzoek te verrichten. Nog daargelaten dat vergunninghoudster in 82 gemeenten actief is op allerlei terreinen van jongerenbegeleiding, heeft verzoekster geen enkel ander aanknopingspunt naar voren gebracht op basis waarvan het college had moeten vermoeden dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning door vergunninghoudster mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of nog te verkrijgen voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Deze bezwaargrond heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van het pand aan de [adres] ten behoeve van kleinschalig begeleid wonen. Het college heeft met het besluit van 29 mei 2026 een omgevingsvergunning voor de activiteit “buitenplanse omgevingsplanactiviteit-gebruik” verleend.
Feiten
Op 18 december 2025 heeft vergunninghoudster bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van het pand aan de [adres] ten behoeve van kleinschalig begeleid wonen. Hierin is aangegeven dat vergunninghoudster op deze locatie kleinschalige groepszorg wil aanbieden voor jongeren, waarbij permanente begeleiding aanwezig is. De begeleiding is gericht op het vergroten van zelfstandigheid, stabiliteit en maatschappelijke participatie en er wordt gewerkt met individuele begeleidingsplannen. Het doel is dat bewoners binnen een afgebakende periode doorstromen naar een meer zelfstandige woonvorm. Iedere bewoner beschikt over een eigen onzelfstandige kamer en maakt gebruik van gedeelde voorzieningen zoals een woonkamer, keuken en sanitair. Er vinden geen vergunningplichtige bouwkundige uitbreidingen of constructieve wijzigingen in het pand plaats.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Eindhoven (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waren vóór 1 januari 2024 onder meer het bestemmingsplan [bestemmingsplan] en het “Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021” van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Eindhoven. Aan het perceel is op grond van het bestemmingsplan [bestemmingsplan], voor zover hier van belang, de bestemming “Wonen” toegekend. Het project is in strijd met artikel 21, lid 21.1.1 van het bestemmingsplan, omdat op grond hiervan op deze locatie alleen zelfstandig wonen is toegestaan. Maatschappelijke voorzieningen zijn niet toegestaan. In dit geval gaat het om de huisvesting en 24/7-begeleiding van jongeren met een indicatie. Dit betekent dat geen sprake is van zelfstandig wonen, maar van een maatschappelijke voorziening.
Het college heeft voor de afwijking van artikel 21, lid 21.1.1, van het bestemmingsplan [bestemmingsplan] gebruik gemaakt van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid en toepassing gegeven aan artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Verzoekster voert aan dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onvoldoende is gemotiveerd waarom deze intensieve woon-/zorgfunctie ruimtelijk aanvaardbaar is op deze locatie. Volgens verzoekster staat de leefbaarheid in de straat waar het pand staat al onder druk. Daarbij wijst verzoekster erop dat de straat al een enorme cumulatie van intensieve woonvormen kent. Uit gemeentelijk onderzoek blijkt dat op 25 van de 49 adressen in deze straat sprake is van kamerbewoning of woningsplitsing. Ook bevinden zich binnen de beleidsmatig voorgeschreven beschermingsstraal van 30 meter al 6 adressen met kamerbewoning of splitsing. Deze afstandsregel is door het college ten onrechte gepasseerd onder de noemer ‘zorgcontext’.
Verzoekster stelt voorts dat het besluit steunt op de onbewezen en door haar betwiste stelling dat het pand van 2006 tot 2024 legaal kamersgewijs bewoond is geweest.
Het college heeft hierover gesteld dat met het verlenen van de omgevingsvergunning de belangen van omwonenden niet onevenredig worden aangetast. Het pand ligt in een straat waar inderdaad al een behoorlijk aantal woningen is verkamerd en gesplitst in meerdere woningen. Deze woonverdichting leidt tot druk op de leefbaarheid in de directe omgeving. Het college is daarom terughoudend met het toevoegen van een pand met meerdere kleinere wooneenheden. De omgevingsvergunning ziet echter niet op kamerbewoning of woningsplitsing als bedoeld in de Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing 2026. Gelet op artikel 3 van deze beleidsregels zijn deze regels uitsluitend van toepassing op aanvragen voor kamerbewoning of woningsplitsing, wat hier niet aan de orde is. Toch heeft het college de achterliggende doelstellingen van deze beleidsregels betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Uit de beleidsregels volgt dat spreiding van woonverdichting en bescherming van de leefbaarheid belangrijke uitgangspunten zijn, aldus het college. De daarin opgenomen 30-meterregel is bedoeld om concentraties van kamerbewoning en woningsplitsing te voorkomen en daarmee ongewenste effecten voor het woon- en leefklimaat te beperken. Bij de beoordeling heeft het college meegewogen dat uit de Basisregistratie personen (de Brp) volgt dat het pand van medio 2006 tot medio 2024 kamersgewijs werd bewoond en niet als reguliere eengezinswoning was gebruikt. Tot 4 maart 2010 was kamerbewoning op dit adres op grond van het toentertijd geldende bestemmingsplan toegestaan. Na deze datum mocht deze kamersgewijze bewoning worden voortgezet. Daarmee is volgens het college aannemelijk geworden dat dit pand gedurende lange tijd een legaal kamersgewijs bewoond pand is geweest. Het initiatief kan dan ook niet worden beschouwd als de toevoeging van een geheel nieuwe vorm van woonverdichting in de straat.
De setting (maximaal vijf bewoners) is kleinschalig gehouden om maatwerk te leveren en om overlast voor de omgeving te minimaliseren.
Gelet hierop is het college van oordeel dat het project geen belemmering vormt voor, dan wel bijdraagt aan een veilige en gezonde leefomgeving en een goede fysieke omgevingskwaliteit ter vervulling van (maatschappelijke) behoeften en bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Door medewerking worden de belangen van derden niet onevenredig geschaad, aldus het college.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplan-activiteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Voor het wijzigen van een woning naar kamerbewoning of woningsplitsing heeft het college beleidsregels vastgesteld, te weten de ‘Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing 2021’ die per 1 januari 2026 zijn vervangen door de ‘Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing 2026’. De voorzieningenrechter stelt vast dat gelet op de datum van de aanvraag gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing 2026, de Beleidsregels uit 2021 van toepassing zijn ingeval de aanvraag zou zien op kamerbewoning of woningsplitsing. Met het college is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat de aanvraag hierop niet ziet, zodat de Beleidsregels uit 2021 niet van toepassing zijn. Hoewel ‘kamer’ in artikel 1 van de beleidsregels niet zodanig is gedefinieerd dat kamers voor begeleid wonen hier overduidelijk niet onder vallen, is dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel bedoeld. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat deze beleidsregels, zo is hierin gesteld, zijn opgesteld om aanvragen te beoordelen die dienen te worden getoetst aan het ook hier geldende “Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerverhuur en woningsplitsing”. In artikel 1.9 van dit bestemmingsplan is het begrip ‘kamerbewoning’ als volgt gedefinieerd: woonvorm - niet zijnde inwoning in de zin van artikel 1.8 - waarbij sprake is van woonruimte die bestaat uit één of meer verblijfsruimten, die geen eigen afzonderlijke toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche/bad en/of toilet) buiten die onzelfstandige woonruimte, met dien verstande dat hieronder niet wordt verstaan maatschappelijke voorzieningen in de vorm van beschermd en/of verzorgd wonen. De huisvesting van maximaal twee personen die geen gezamenlijk huishouden voeren wordt niet als kamerbewoning aangemerkt.
Uit het vorenstaande volgt dat het college de aanvraag niet heeft behoeven te toetsen aan genoemde beleidsregels en hierom in beginsel ook niet dienovereenkomstig behoefde te handelen.
In het kader van de beoordeling van de vraag of het project in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties heeft het college, zoals hiervoor is aangegeven, de beleidsregels wel betrokken bij zijn afweging. Ten aanzien van de vraag of hier sprake is van een omzetting van een reguliere eengezinswoning naar begeleide kamerbewoning overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen stellen dat reeds sprake was van een legaal kamersgewijs bewoond pand en dat het pand al geruime tijd niet meer werd gebruikt als reguliere eengezinswoning. Het college heeft ter zitting nader toegelicht dat voor het kunnen stellen dat sprake is van een legaal kamersgewijs bewoond pand niet is vereist dat hiervoor in het verleden (ook) een vergunning moet zijn verleend. Op grond van het tot 2010 geldende bestemmingsplan was kamerbewoning in dit pand namelijk (legaal) toegestaan en het gebruik na die datum viel onder het overgangsrecht van een opvolgend bestemmingsplan. Dat sprake was van kamergewijze bewoning heeft het college kunnen constateren aan de hand van de inschrijvingen in de Brp. Ter zitting heeft verzoekster bovendien aangegeven dat zij ermee bekend is dat in het recente verleden verschillende personen van verschillende nationaliteiten tegelijkertijd in het pand woonden. Bij de heroverweging zou het college zijn standpunt nog nader kunnen onderbouwen met (geanonimiseerde) stukken uit de Brp en met het overleggen van de relevante bestemmingsplannen.
Nu het college ervan heeft mogen uitgaan dat het pand tot de vergunde functiewijziging legaal kamersgewijs was bewoond, heeft het college in het feit dat het pand binnen een straal van 30 meter van meerdere reeds vergunde kamersgewijs verhuurde panden of gesplitste panden staat geen aanleiding behoeven te zien om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Nog daargelaten dat de Beleidsregel uit 2021 niet van toepassing is, heeft het college hierbij kunnen betrekken dat de feitelijke situatie voor de omgeving, te weten een kamersgewijs bewoond pand, met het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning niet verandert. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich dan ook in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat met de in geschil zijnde vergunning de bestaande druk op de woon- en leefomgeving zal toenemen. In zoverre is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft deze bezwaargrond geen redelijke kans van slagen.
Strijd met rechtszekerheid?
Voor zover verzoekster stelt dat gezien de stukken onzeker is hoeveel bewoners en welke leeftijdscategorie er in het pand gehuisvest zullen worden, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ten aanzien van het aantal ter plaatse woonachtige personen heeft het college aangegeven dat een vergunning is verleend voor maximaal vijf bewoners.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvraag niet eenduidig is wat het aantal bewoners betreft. Op het aanvraagformulier staat dat de aanvraag ziet op 0-10 bewoners, maar in de ruimtelijke onderbouwing die onderdeel uitmaakt van de aanvraag wordt gerept over maximaal vijf bewoners, welk aantal vergunninghoudster ter zitting heeft bevestigd. In de omgevingsvergunning staat dat het gaat om de huisvesting van maximaal vijf jongeren/jongens. Aldus volgt hieruit dat het college kennelijk heeft beoogd te bepalen dat het maximumaantal bewoners in het pand vijf mag bedragen.
Ter zitting is gebleken dat het college bereid is om uit een oogpunt van rechtszekerheid bij de te nemen beslissing op bezwaar alsnog in de vergunningvoorschriften op te nemen dat het maximumaantal bewoners vijf bedraagt. Vergunninghoudster heeft aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben. Reeds hierom ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding om het bestreden besluit geheel dan wel deels te schorsen.
Ten aanzien van de leeftijdscategorie overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de omgevingsvergunning staat enerzijds dat in het pand jongeren/jongens tussen de 13 en 18 jaar oud (pagina 5) zullen worden gehuisvest en anderzijds dat het gaat om jongeren en jongvolwassenen van circa 16 tot en met 23 jaar (pagina 8). Vergunninghoudster heeft ter zitting aangegeven dat de doelgroep de leeftijd van 12 tot en met 18 jaar is, met incidenteel (mogelijk) een uitloop tot 23 jaar.
De voorzieningenrechter overweegt hierover dat uit de omgevingsvergunning duidelijk blijkt welke doelgroep in het pand zal worden gehuisvest, te weten jongeren die begeleid wonen. Het verbinden van een voorwaarde aan de omgevingsvergunning, inhoudende welke leeftijdscategorie in het pand gehuisvest mag worden, voor zover verzoekster dit al heeft beoogd, is in beginsel niet mogelijk, omdat uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het algemeen niet van belang is wie de woning bewoont. Dat kan alleen in bijzondere gevallen om redenen van situering van woningen anders zijn (ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:704). Het is aan het college om bij de heroverweging in bezwaar te beoordelen of hiertoe aanleiding bestaat. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Verzoekster brengt verder naar voren dat er sprake is geweest van gebrekkige participatie. De wijkvereniging is hierbij niet tijdig betrokken. Via omwonenden is een uitnodiging ontvangen voor een ‘openhuisavond’, die meer kan worden gezien als kennismaking dan als participatie. De wijkvereniging zelf heeft geen uitnodiging ontvangen, terwijl zij wel als belanghebbende in het participatieplan is genoemd. Verder zijn kritische vragen die op de openhuisavond zijn gesteld ter plaatse dan wel in het verslag niet beantwoord. Ook staat in de aanvraag ten onrechte vermeld dat er ‘geen contact met derden’ is geweest.
De voorzieningenrechter stelt vast dat vergunninghoudster aan participatie heeft gedaan. Omwonenden zijn bij brief van 28 januari 2026 op de hoogte gesteld van het voorgenomen project en daarbij uitgenodigd voor een openhuisavond in het pand op 5 februari 2026, van 17.00 tot 20.00 uur. In deze brief staat ook vermeld dat als men niet kan langskomen maar men wel vragen of opmerkingen heeft, contact kan worden opgenomen en dat naderhand een brief wordt gestuurd met een korte samenvatting van de openhuisavond. Bij de aanvraag bevindt zich verder een “Participatieverslag omgevingsdialoog” van de openhuisavond. Hierin is aangegeven dat op 5 februari 2026 voor de openhuisavond 133 huishoudens uit 5 omliggende straten zijn uitgenodigd waarvan 16 bewoners aanwezig waren. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft vergunninghoudster tijdens de gesprekken toelichting gegeven over de aard van het gebruik, de begeleiding, het beheer en de wijze waarop zij invulling zullen geven aan een prettig woon- en leefklimaat voor zowel bewoners als de omgeving. Naderhand zijn omwonenden bij brief van 12 februari 2026 geïnformeerd over de openhuisavond en de vervolgstappen, waarbij ook informatie is toegevoegd over onder meer [derde belanghebbende], de dagelijkse gang van zaken nadat het pand in gebruik zal zijn genomen en het antwoord op veelgestelde vragen.
Het is in eerste instantie aan het college om te beoordelen of de verrichte participatie toereikend is. Het college heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat de participatie voldoende is geweest. Dat mogelijk niet alle vragen van de bestuursleden van de wijkvereniging zijn beantwoord, is niet voldoende om te oordelen dat er gebrekkige participatie heeft plaatsgevonden. Ter zitting is gebleken dat zij wegens tijdgebrek slechts zeer kort aanwezig konden zijn, maar dat toen wel gesproken is met de heer [gemachtigde]. Van vergunninghoudster kan niet worden verwacht dat elke vraag die wordt gesteld tijdens een openhuisavond wordt opgenomen in het participatieverslag. Zo nodig had verzoekster over de volgens haar niet beantwoorde vragen naderhand nog contact kunnen opnemen met vergunninghoudster. Ook het feit dat omwonenden relatief korte tijd voor de openhuisavond zijn uitgenodigd leidt niet tot een ander oordeel mede gezien de geboden mogelijkheid om dan persoonlijk op de hoogte te worden gesteld van het project. Met betrekking tot het onjuist zijn ingevuld van het aanvraagformulier wat het aspect participatie betreft, overweegt de voorzieningenrechter dat de stukken over het gevolgde participatietraject ook onderdeel uitmaken van de aanvraag, zodat niet behoeft te worden gevreesd dat het college door het aanvraagformulier een onjuist beeld heeft kunnen krijgen van het doorlopen proces, zoals verzoekster stelt. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter ten slotte op dat met participatie niet wordt beoogd om unanieme steun of draagvlak onder alle omwonenden te verkrijgen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft deze bezwaargrond geen redelijke kans van slagen.
Integriteitsscreening
Verzoekster voert voorts aan dat het college een integriteitsscreening had moeten laten uitvoeren, omdat vergunninghoudster geen ervaring heeft met residentiële 24-uursopvang en het college de leefbaarheidstoets volledig baseert op deze specifieke exploitatieopzet. Nu elke transparantie hierover ontbreekt, is sprake van strijd met artikel 5.31, tweede lid, van de Omgevingswet. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij op de openhuisavond heeft vernomen dat vergunninghoudster alleen ervaring heeft met ambulante begeleiding.
Het college heeft hierover gesteld dat ingevolge artikel 5.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet een omgevingsvergunning kan worden geweigerd in de gevallen en onder voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob. Van een geval waarin volgens de Bibob-beleidsregel van de gemeente Eindhoven een Bibob-onderzoek moet worden uitgevoerd, is niet gebleken. De omgevingsvergunning ziet op een gebruikswijziging via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en niet op een bouwactiviteit met bouwkosten boven de in de beleidsregel genoemde drempelbedragen.
Ook blijkt uit het dossier niet van een vastgesteld aandachtsgebied, illegaal gestarte bouw of concrete aanwijzingen voor een gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob.
Op grond van artikel 5.31 van de Omgevingswet gelezen in samenhang met artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob) kan een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden geweigerd indien ernstig gevaar bestaat dat de vergunning door de bij de aanvraag betrokkene mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of nog te verkrijgen voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Wet bibob (Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 2) blijkt dat met dit artikel is beoogd te voorkomen dat de overheid door middel van bestuurlijke besluitvorming, zoals vergunningverlening, ongewild criminele activiteiten faciliteert.
De voorzieningenrechter stelt vast dat geen sprake is van een situatie waarin op grond van artikel 2:3 van de Bibob-beleidsregel verplicht een Bibob-onderzoek moet worden verricht. Het college heeft in het enkele feit dat verzoekster geen ervaring heeft met de beoogde opvang, wat daarvan ook zij, geen aanleiding behoeven te zien om een dergelijk onderzoek te verrichten. Nog daargelaten dat vergunninghoudster in 82 gemeenten actief is op allerlei terreinen van jongerenbegeleiding, heeft verzoekster geen enkel ander aanknopingspunt naar voren gebracht op basis waarvan het college had moeten vermoeden dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning door vergunninghoudster mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of nog te verkrijgen voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Deze bezwaargrond heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
Verzoekster voert ten slotte aan dat sprake is van overtreding van het BesluitBouwwerken leefomgeving (Bbl). Meerdere slaapkamers van de in totaal 6 slaapkamers voldoen niet aan de dwingendrechtelijke ondergrens van 11 m2 voor verblijfsruimten uit artikel 4.164, derde lid, van het Bbl. Dit krappe verblijf dwingt jongeren de straat op, wat een onaanvaardbare inbreuk op het geordend woon- en leefmilieu veroorzaakt. Verder wijst verzoekster op het ontbreken van een hier vereiste brandmeldinstallatie en het ontbreken van een verzamelplaatsbord bij ontruiming.
Het college heeft terecht gesteld dat genoemde bezwaren betrekking hebben op bouwtechnische voorschriften uit het Bbl en dat de beoordeling daarvan losstaat van de in geschil zijnde planologische beoordeling. Het gaat hier immers niet om de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit.
De bezwaargrond heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar van verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen heeft.