De uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2026:7888, van 18 augustus 2026 laat zien hoe het evenredigheidsbeginsel in het handhavingsrecht concreet kan uitpakken wanneer tegenover geringe overtredingen exorbitante herstelkosten staan.

De feiten in het kort :
Eisers dienden een verzoek in om handhavend op te treden tegen de geluidsoverlast van het naastgelegen zwembad, en in het bijzonder van de glijbanen. Uit onderzoek bleek sprake van incidentele overschrijdingen van het maximale geluidsniveau bij de naburige woning. Het college weigerde handhavend op te treden, maar onderbouwde dit aanvankelijk onvoldoende. Na een tussenuitspraak en een bestuurlijke lus heeft het college alsnog gedetailleerde kostenramingen aangeleverd.
Waarom handhaving in casu onevenredig is:
De rechtbank oordeelt dat het college handhaving onevenredig mocht achten op basis van de volgende omstandigheden:
Bovendien merkte het college op dat eisers er zelf voor hebben gekozen om nabij een recreatiepark te wonen, waardoor een bepaalde mate van toeristische overlast ingecalculeerd moet worden. De rechtbank gaat hier niet expliciet tegenin, waardoor dit punt lijkt mee te spelen.
Omdat het oorspronkelijke besluit juridisch gebrekkig was gemotiveerd, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Omdat het college het motiveringsgebrek in de tussentijd echter succesvol heeft hersteld via de bestuurlijke lus, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand.