De rechtbank Gelderland heeft op 20 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1132 de inmiddels 91ste uitspraak gedaan over de BOPA. Deze uitspraak gaat over de aan de vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van de bedrijfswoning op een chaletpark voor tijdelijke bewoning zonder het uitvoeren van beheerderstaken.

Nu het Beleidskader recreatie van september 2019 de geldende beleidsregels bevat en in dat beleidskader geen beperking van tien jaar is opgenomen, is er geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte voor een langere duur dan tien jaar heeft kunnen verlenen.
Naar het oordeel van de rechtbank is herstel van de oorspronkelijke functie als beheerderswoning van het vakantiepark mogelijk, omdat de verleende omgevingsvergunning tijdelijk van aard en persoonsgebonden is. Na verhuizing of overlijden van degenen die vóór 1 mei 2019 in de woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente, herleeft de oorspronkelijke beheerdersfunctie van de woning.
Eiseres heeft haar vrees voor klachten over het woongenot niet verder geconcretiseerd. Gelet hierop en omdat permanente bewoning van de bedrijfswoning ook zonder de omgevingsvergunning al is toegestaan aan iemand die beheerderstaken uitvoert, is niet aannemelijk gemaakt dat de verlening van deze vergunning zal leiden tot onevenredige ruimtelijke gevolgen voor eiseres.
De verwijzing van eiseres naar de civielrechtelijke afspraken die bij de levering van de beheerderswoning aan vergunninghouder zijn gemaakt voor het geval een tweede beheerderswoning wordt aangevraagd, geeft geen aanleiding voor een andere uitkomst. Het college moet in zijn besluitvorming beoordelen of de gevraagde vergunning kan worden verleend met het oog op ETFAL. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Omgevingswet kan het daarbij alleen gaan over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Hieruit volgt dat de civielrechtelijke gevolgen van de verlening van een omgevingsvergunning niet door het college in zijn besluitvorming kunnen worden betrokken. Dat is alleen anders als sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan verlening van de vergunning in de weg staat. Eiseres heeft niet uitdrukkelijk gesteld dat de verlening van de vergunning leidt tot een evidente privaatrechtelijke belemmering. De door haar overgelegde leveringsaktes en hetgeen zij naar voren heeft gebracht, geven ook geen aanleiding om te oordelen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Dat eiseres onder bepaalde omstandigheden verplicht is om een boete te betalen, is niet voldoende om een dergelijke evidente privaatrechtelijke belemmering aan te nemen.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Op 5 juni 2024 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk bewonen van de bedrijfswoning op het chaletpark ‘De Konijnenburg’ zonder het uitvoeren van beheerderstaken. De vergunning is verleend in afwijking van het omgevingsplan (op grond van artikel 5.21 lid 2 aanhef en onder b van de Omgevingswet en artikel 8.0a lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Vergunninghouder heeft de bedrijfswoning in 2013 gekocht en verblijft er sindsdien. Zij voert geen beheerderstaken voor het chaletpark uit. Uit de voorwaarden van de vergunning blijkt dat de toestemming om de woning te gebruiken zonder beheerderstaken uit te voeren geldt voor degenen die vóór 1 mei 2019 stonden ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Putten. Bij verhuizing of overlijden vervalt de toestemming voor bewoning door personen die geen beheerderstaken uitvoeren.
Is eiser belanghebbende bij het bestreden besluit?
Alleen een belanghebbende kan bezwaar maken dan wel beroep instellen tegen een besluit (artikel 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht). Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 eerste lid van de Awb).3 Volgens vaste rechtspraak (ABRvS van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284 onder 5.1) is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Die persoon onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand, zicht, planologische uitstraling en milieugevolgen (zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie) tot het besluit. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. De rechtbank beoordeelt de belanghebbendheid op het moment van indiening van het beroepschrift.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belanghebbende is bij het bestreden besluit omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. Eiser is eigenaar van een recreatiewoning op korte afstand van de bedrijfswoning en zou zelf ook wel een vergunning willen om permanent op het park te wonen. Het chalet van eiser ligt op ongeveer 30 m van het perceel met daarop de bedrijfswoning. Gelet op die korte afstand is het op zichzelf niet uit te sluiten dat eiser enige feitelijke gevolgen kan ondervinden van de bewoning van de bedrijfswoning door vergunninghouder. De rechtbank is echter van oordeel dat niet is gebleken dat deze gevolgen van enige betekenis zullen zijn. Daarbij is van belang dat in dit geval in het omgevingsplan al is toegestaan dat er een bedrijfswoning binnen de functie ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie 4’ bestaat, zodat er op grond van het omgevingsplan al permanent gewoond mag worden in de bedrijfswoning. Weliswaar moet het daarbij gaat om een persoon van wie – kort gezegd – de huisvesting daar noodzakelijk moet worden geacht, maar het is niet aannemelijk dat eiser in dat geval minder of andere feitelijke gevolgen ondervindt van de bewoning van de bedrijfswoning dan in de nu vergunde situatie. De ruimtelijke effecten die optreden door de permanente bewoning van de bedrijfswoning zullen niet veranderen, zodat het bestreden besluit voor eiser geen gevolgen heeft die niet al konden optreden zonder dat de vergunning was verleend. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk. Als gevolg daarvan komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke beroepsgronden van eiser.
Had college duur van de vergunning moeten beperken tot tien jaar?
Eiseres betoogt dat de duur van de vergunning maximaal tien jaar mag bedragen. Met de verleende vergunning kan vergunninghouder tot aan haar overlijden dan wel verhuizing in de woning blijven wonen. Het Beleidsplan Recreatie staat echter een maximale periode van tien jaar toe voor het bewonen van een bedrijfswoning door niet-beheerders. Dat blijkt ook uit een latere notitie en een brief die is gestuurd.
In september 2019 heeft de gemeenteraad het Beleidskader recreatie, ruimtelijke instrumenten voor vakantieparken, vastgesteld. Uit artikel 2.4 volgt dat de vóór 1 mei 2019 ingeschreven bewoners in beheerderswoningen van vakantieparken een persoonsgebonden woonverklaring ontvangen waardoor na verhuizing of overlijden de beheerderswoning weer beschikbaar is voor het vakantiepark. In dit beleidskader is geen maximale termijn van tien jaar opgenomen. Het college is op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht gehouden om te handelen in overeenstemming met dit beleid. Weliswaar is er op 15 maart 2021 een ambtelijke notitie opgesteld die meerdere opties geeft voor de bewoning van bedrijfswoningen binnen een recreatieve bestemming, maar deze ambtelijke notitie heeft geen officiële status en werkt in zoverre niet beperkend ten opzichte van het beleidskader. Daarnaast is er op 11 juni 2021 een voorstel aan het college gedaan waarin als beslispunten staat dat bewoners van bedrijfswoningen op vakantieparken een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van tien jaar kunnen krijgen. Of het college het voorstel heeft aangenomen is onduidelijk, maar hoe dan ook is een beperking tot tien jaar niet neergelegd in beleid. Nu het Beleidskader recreatie van september 2019 de geldende beleidsregels bevat en in dat beleidskader geen beperking van tien jaar is opgenomen, is er geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte voor een langere duur dan tien jaar heeft kunnen verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan de bedrijfswoning weer zijn oude functie terugkrijgen?
Eiseres betoogt dat het besluit niet zorgvuldig is genomen omdat herstel van de oorspronkelijke functie niet mogelijk is, terwijl dat wel het uitgangspunt is van het Beleidsplan Recreatie. Het college gaat voorbij aan het feit dat de bedrijfswoning niet in eigendom is van eiseres en dat zij er ook geen belang bij heeft om de bedrijfswoning aan te kopen.
Naar het oordeel van de rechtbank is herstel van de oorspronkelijke functie als beheerderswoning van het vakantiepark mogelijk, omdat de verleende omgevingsvergunning tijdelijk van aard en persoonsgebonden is. Na verhuizing of overlijden van degenen die vóór 1 mei 2019 in de woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente, herleeft de oorspronkelijke beheerdersfunctie van de woning. De beroepsgrond slaagt niet.
Beperkt het gebruik voor reguliere bewoning de functie van het chaletpark?
Eiseres betoogt dat zij geen conflicterende belangen wil tussen recreatief gebruik en reguliere bewoning. Zij vreest dat er door conflicterende belangen tussen de bewoners van de beheerderswoning en toeristen op het park over en weer klachten komen over “woongenot”. Ook stelt zij vast dat er sinds het gebruik voor reguliere bewoning sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Eiseres heeft er verder op gewezen dat bij de levering van de beheerderswoning aan de vergunninghouder in 2014 civielrechtelijk is afgesproken dat het eiseres niet is toegestaan een nieuwe (tweede) beheerderswoning aan te vragen, op straffe van een boete ten behoeve van de eigenaar van de huidige beheerderswoning. Het college heeft daar volgens hem ten onrechte geen rekening mee gehouden.
Eiseres heeft haar vrees voor klachten over het woongenot niet verder geconcretiseerd. Gelet hierop en omdat permanente bewoning van de bedrijfswoning ook zonder de omgevingsvergunning al is toegestaan aan iemand die beheerderstaken uitvoert, is niet aannemelijk gemaakt dat de verlening van deze vergunning zal leiden tot onevenredige ruimtelijke gevolgen voor eiseres. Om dezelfde reden vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat het aantal verkeersbewegingen onevenredig zal toenemen. De verwijzing van eiseres naar de civielrechtelijke afspraken die bij de levering van de beheerderswoning aan vergunninghouder zijn gemaakt voor het geval een tweede beheerderswoning wordt aangevraagd, geeft geen aanleiding voor een andere uitkomst. Het college moet in zijn besluitvorming beoordelen of de gevraagde vergunning kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Omgevingswet kan het daarbij alleen gaan over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Hieruit volgt dat de civielrechtelijke gevolgen van de verlening van een omgevingsvergunning niet door het college in zijn besluitvorming kunnen worden betrokken. Dat is alleen anders als sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan verlening van de vergunning in de weg staat. Eiseres heeft niet uitdrukkelijk gesteld dat de verlening van de vergunning leidt tot een evidente privaatrechtelijke belemmering. De door haar overgelegde leveringsaktes en hetgeen zij naar voren heeft gebracht, geven ook geen aanleiding om te oordelen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Dat eiseres onder bepaalde omstandigheden verplicht is om een boete te betalen, is niet voldoende om een dergelijke evidente privaatrechtelijke belemmering aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.