Uit de Afdelingsuitspraak van 12 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4741) volgt dat de absolute competentie van de bestuursrechter met zich meebrengt dat de Afdeling in dit geval slechts bevoegd is om kennis te nemen van één van beide handhavingsbesluiten, ook al zijn beide besluiten gebaseerd op hetzelfde feitencomplex en hebben zij tot doel om een en dezelfde illegale situatie te beëindigen.

Aanleiding voor dit oordeel was het geschil over twee lasten onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders (“college”) had opgelegd aan de exploitant van een landbouwbedrijf (“appellante”) wegens het zonder de daarvoor vereiste toestemming opslaan van bouw- en sloopafval op zijn landbouwperceel. Hoewel beide lasten - het gebod om per direct geen afvalstoffen meer in haar inrichting in ontvangst te nemen (“last 1”) en de verplichting om het opgeslagen afval in overeenstemming met art. 10.37 Wet milieubeheer af te voeren naar een erkende afvalverwerker (“last 2”) - aanvankelijk dezelfde grondslag hadden (namelijk art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wabo), heeft het college de grondslag van last 1 bij de heroverweging in bezwaar gewijzigd in art. 10.45 Wet milieubeheer (“Wm”). Last 1 houdt sindsdien in dat appellante blijvend moet voldoen aan dit artikel door per direct geen afvalstoffen meer in haar inrichting in ontvangst te nemen. Het overeenkomstig de rechtsmiddelenclausule tegen de beslissing op bezwaar gerichte beroep heeft de rechtbank vervolgens doorgestuurd naar de Afdeling. De Afdeling overweegt dat uit art. 8:6, eerste lid, Awb jo. art. 2 bijlage 2 Awb volgt dat de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen een besluit over handhaving op grond van art. 10.45 Wm, maar niet ten aanzien van het beroep voor zover dat is gericht tegen last 2. Naar het oordeel van de Afdeling doet de omstandigheid dat last 1 en last 2 in één besluit zijn opgenomen hieraan niet af: het gaat immers om twee afzonderlijke lasten onder dwangsom met elk een eigen grondslag (en niet om bijvoorbeeld één last die is opgelegd vanwege de overtreding van meerdere wettelijke bepalingen, zoals aan de orde in de Afdelingsuitspraak van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:905). Hoewel beide lasten zijn gebaseerd op dezelfde feitelijke situatie en een oordeel over de ene last een impliciet oordeel zou kunnen inhouden over de andere last, betekent dit volgens de Afdeling niet dat moet worden afgeweken van de wettelijke regeling van de absolute competentie van de bestuursrechter. De Afdeling verklaart zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het tegen last 2 gerichte beroep en zendt het beroepschrift en de daarbij behorende besluiten en stukken met toepassing van art. 6:15 Awb terug naar de rechtbank.