De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5162) dat zij het niet onaannemelijk acht dat appellant inmiddels rechtsmiddelen aanwendt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, zodat zij daarom in het vervolg bij de behandeling van een hoger beroep van appellant eerst zal bezien of sprake is van misbruik van recht.

Aanleiding voor dit oordeel was het geschil over een verleende exploitatie- en alcoholvergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf. Nadat de Afdeling het hoger beroep van appellant inhoudelijk heeft beoordeeld, overweegt zij dat ter zitting aan de orde geweest is dat appellant al ruim 20 jaar een conflict heeft met (bestuursorganen van) de gemeente over het eigendom van de steeg tussen diens woning en het naastgelegen pand, waarin nu de horeca-inrichting is gevestigd. Gedurende die periode heeft appellant meer dan 10 procedures gestart en meerdere handhavingsverzoeken gedaan bij de gemeente, steeds gerelateerd aan de betreffende steeg. De omstandigheid dat appellant in deze procedure geen gronden heeft aangevoerd die gaan over het oordeel van de rechtbank, maar slechts standpunten herhaalt over geschillen tussen hem en de gemeente die in eerdere procedures al zijn afgedaan en waarvan hij geacht moet worden te weten dat die in deze procedure evident geen kans van slagen hebben, doet de Afdeling besluiten om in volgende zaken van appellant te bezien of sprake is van rechtsmisbruik. Voor zover dat het geval is, wordt diens hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en kan appellant worden veroordeeld in de proceskosten van het bestuursorgaan (vgl. Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447), aldus de Afdeling.