ABRvS 30 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5812. In het gewijzigde dwangsombesluit heeft het college Conexus onder oplegging van een dwangsom gelast om de overtreding van de in art. 2.17, lid 1 Activiteitenbesluit opgenomen geluidsnormen ter plaatse van de gevels van de aan de Dr. Claas Noorduijnstraat gelegen woningen te beëindigen en beëindigd te houden en daartoe de nodige maatregelen te treffen.

Appellanten voeren aan dat Conexus onder de Omgevingswet niet als overtreder kan worden aangemerkt. Appellanten voeren aan dat de geluidsnormen onder de Ow zich niet langer richten tot de drijver van de inrichting, maar tot degene die de milieubelastende activiteit (MBA) feitelijk verricht. Daardoor kan Conexus volgens appellanten onder de Ow minder snel als functioneel pleger worden aangemerkt. Volgens appellanten betekent dit dat niet Conexus, maar derden die gebruik maken van het speelterrein als overtreder moeten worden aangemerkt.
De Afdeling stelt vast dat in tabel 22.3.1. bij artikel 22.63 omgevingsplan, dezelfde maximale geluidwaarden zijn opgenomen als in art. 2.17, lid 1 Activiteitenbesluit. Voor zover appellanten betogen dat de materiële normstelling is veranderd door de wijziging van de normadressaat onder de Ow, waardoor niet Conexus, maar derden die gebruik maken van het speelterrein moeten worden aangemerkt als overtreder, overweegt de Afdeling het volgende.
Uit art. 22.43 omgevingsplan volgt in dit geval dat degene die de MBA verricht zorg draagt voor de naleving van de regels over de activiteit. Het standpunt van appellanten impliceert dat de MBA het gebruik van het schoolplein door derden is en dat deze derden door dat gebruik de geluidsnormen overtreden. Deze uitleg kan niet worden gevolgd.
De aard van de geluidsnormen, waarin zowel een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als maximale waarden voor geluid op een geluidgevoelig gebouw in de omgeving zijn vastgelegd, brengt mee dat als MBA moet worden aangemerkt het bestendige gebruik van het schoolgebouw met het bijbehorende speelterrein. Bij het beantwoorden van de vraag tot wie art. 22.43 omgevingsplan is gericht en wie de overtreder is in de zin van art. 5:1, lid 2 Awb, is daarmee de zeggenschap over de locatie waarop een MBA verricht wordt een relevant criterium.
Naar het oordeel van de Afdeling is de materiële normstelling dan ook niet gewijzigd ten opzichte van het recht zoals dat gold op het moment van het verzoek om handhavend optreden.
