In een uitspraak van 2 september 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat activiteiten die op zichzelf passen binnen de bestemming ‘Agrarisch’, zoals het aanleggen van verharding, een aarden wal en beplanting, toch in strijd zijn met het bestemmingsplan als op het perceel helemaal geen agrarisch bedrijf meer wordt uitgeoefend. Het college van Beverwijk had het handhavingsverzoek van omwonenden daarom niet mogen afwijzen. Daarnaast bevat de uitspraak een aantal procedurele lessen, onder meer over herstel van een ontbrekende machtiging en over de hoogte van de schadevergoeding bij gezamenlijk procederen.

Feiten
Op een perceel in Beverwijk met de bestemming ‘Agrarisch’ werd voorheen een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. De huidige eigenaren legden ter hoogte van de achterliggende woningen een verharding, een aarden wal met een kunststof buis en beplanting met bomen en coniferen aan. Omwonenden verzochten het college om handhavend op te treden. Het college wees de verzoeken af: voor verharding en het opwerpen van een wal gold geen aanlegvergunningstelsel en de aanplant was niet in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank Noord-Holland volgde het college daarin.
Geen agrarisch bedrijf, geen agrarisch gebruik
De Afdeling ziet dat anders. Zij onderschrijft weliswaar dat voor de aanleg van de verharding en de wal geen omgevingsvergunning nodig was, maar oordeelt dat college en rechtbank niet hebben onderkend dat het gebruik van het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. Vast stond dat de eigenaren ten tijde van de besluitvorming geen agrarisch bedrijf uitoefenden. De activiteiten waren dus niet gericht op agrarische bedrijfsuitoefening en daarmee geen activiteiten ‘bij een agrarisch bedrijf’. Er was evenmin een omgevingsvergunning verleend voor niet-agrarische nevenactiviteiten of voor gebruik voor woondoeleinden. Het perceel mocht dus alleen worden gebruikt voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, zodat sprake was van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Het oordeel laat zien dat de vraag of iets ‘past binnen de bestemming’ niet alleen gaat over de fysieke ingreep, maar ook over het doel waarvoor die ingreep wordt verricht. Een aarden wal op een boerenerf is iets anders dan dezelfde wal bij een voormalige boerderij die inmiddels feitelijk als woonperceel in gebruik is. Voor bestuursorganen betekent dit dat bij de beoordeling van een handhavingsverzoek niet kan worden volstaan met de vaststelling dat voor een bepaald werk geen vergunning nodig is: ook het feitelijke gebruik van het perceel moet worden betrokken.
Het college moet nu een nieuw besluit nemen. De Afdeling herinnert eraan dat daarop het oude recht van toepassing blijft, maar alleen als onder het recht dat geldt ten tijde van het nieuwe besluit nog steeds sprake is van dezelfde overtreding (ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645). Of dat zo is, hangt af van de regels die thans in het omgevingsplan voor dit perceel gelden.
Procedurele lessen
De rechtbank had het beroep van negen appellanten niet-ontvankelijk verklaard omdat een (correcte) machtiging ontbrak. Dat gebrek werd pas op de zitting aan de orde gesteld, zonder dat een hersteltermijn werd geboden. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank op grond van artikel 6:6 van de Awb eerst gelegenheid tot herstel had moeten bieden.
Voor twee verhuisde appellanten bleef de niet-ontvankelijkverklaring wel in stand. De Afdeling past haar rechtspraak toe dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten geen zelfstandig procesbelang meer oplevert (ABRvS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323).
Tot slot de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uitgangspunt is dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op vergoeding heeft (vgl. ABRvS 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:585). De Afdeling acht het echter redelijk het bedrag te delen door het aantal gezamenlijk procederende appellanten, omdat zij de lasten van de procedure hebben kunnen delen (vgl. ABRvS 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3042). Dat leidt tot een opmerkelijke uitkomst: een grote groep omwonenden ontvangt samen hetzelfde bedrag als één individuele appellant, en ook de twee eigenaren moeten één vergoeding delen. Die matiging lijkt zich te ontwikkelen tot een vaste lijn.
ABRvS 2 september 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:5169.