Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Algemene zorgplichten Omgevingswet: kan huisvesten minderjarige vreemdelingen in een pand hiermee strijdig zijn?

Rechtbank Den Haag 16 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19381. Verzoekers voeren aan dat sprake is van een dreigende overtreding van de zorgplichten uit de artt. 1.6 t/m 1.7a Ow. Verzoekers stellen dat het pand gelet op zijn omvang en locatie niet geschikt is voor het huisvesten van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Het pand is volgens verzoekers te klein en heeft een te beperkte buitenruimte, wat zal leiden tot een huisvestingssituatie met te weinig privacy en teveel prikkels voor de bewoners.

16 July 2026

Samenvattingen

Vooropgesteld wordt dat het door verzoekers ingeroepen art. 1.7a Omgevingswet geen zorgplicht bevat, maar een verbodsbepaling. Uit de parl. geschiedenis volgt dat art. 1.7a een vangnetfunctie heeft en een strafrechtelijk handhaafbaar verbod bevat om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Daarbij kan gedacht worden aan aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water (Kamerstukken II, 2017/18, nr. 3, blz. 131-132).

Nog daargelaten dat verzoekers art. 1.7a Ow niet aan hun verzoek om handhaving ten grondslag hebben gelegd maar hier eerst in hun aanvullende bezwaarschrift op hebben gewezen, kan de beoogde ingebruikname van het pand naar voorlopig oordeel niet worden beschouwd als een activiteit met aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving in de zin van deze bepaling.

Ten aanzien van de algemene zorgplichten uit artt. 1.6 en 1.7 Ow volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet dat deze zorgplichten voortbouwen op algemene zorgplichten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet in diverse wetten waren opgenomen (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, blz. 67). Uit rechtspraak volgt dat handhavend optreden op grond van dergelijke zorgplichten in beginsel slechts aan de orde kwam bij handelen of nalaten dat onmiskenbaar met de zorgplicht in strijd was (ECLI:NL:RVS:2025:5756).

Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze rechtspraak niet zou gelden ten aanzien van de algemene zorgplichten uit de Ow.

Nog afgezien van de vraag of art. 1.8, lid 1 Ow er in dit geval niet aan in de weg staat om aan te nemen dat sprake is van een schending van een algemene zorgplicht, is naar voorlopig oordeel in ieder geval geen sprake van een (klaarblijkelijk dreigende) onmiskenbare schending van een algemene zorgplicht. Daarvan is immers pas sprake als zonder nader onderzoek evident is dat wordt gehandeld in strijd met een algemene zorgplicht. Die situatie doet zich hier niet voor.

Dat onder omwonenden zorgen en gevoelens van onbehagen en onveiligheid leven over de situatie die na ingebruikname van het pand zal ontstaan, is hiervoor onvoldoende.

Artikel delen