Een vereniging die opkomt voor het landschap, de natuur en het leefmilieu in de omgeving van Wijk bij Duurstede heeft GS verzocht om maatregelen te treffen, namelijk het laten plaatsvinden van essenhakhoutbeheer, het onmiddellijk effectief verwijderen van braamopslag door de terreinbeheerders van het gebied en het onmiddellijk verhogen van het waterpeil door het college van dijkgraaf en hoogheemraden. Dit verzoek is geweigerd. De belangrijkste vraag, die in Hoger beroep aan de orde komt, is of art. 2.4, eerste lid Wnb ertoe strekt om derden aan te schrijven om beheermaatregelen te nemen.

De Afdeling is van oordeel dat dit niet het geval is en verwijst hiervoor naar de memorie van toelichting bij de Wet Natuurbescherming (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 106). De Afdeling leidt hieruit af dat de aanschrijvingsbevoegdheid is bedoeld voor activiteiten waarvoor voor de referentiedatum toestemming is verleend en die sindsdien als één-en-hetzelfde project zijn voortgezet en voor activiteiten die op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb zijn vrijgesteld van de vergunningplicht.
Uit pagina 90-96 van de memorie van toelichting leidt de Afdeling verder af dat het beheerplan in belangrijke mate het karakter heeft van een beleidsplan en uitvoeringsprogramma
Verder is niet gebleken dat de Habitatrichtlijn onjuist is geïmplementeerd. De Afdeling betrekt daarbij dat artikel 6, tweede lid Hrl een verplichting bevat om passende maatregelen te treffen, maar de keuze van de te treffen maatregelen overlaat aan de lidstaten. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9049, onder 8.5. Als de vereniging wil opkomen tegen de wijze waarop GS het gebied beheren, dan staat een gang naar de civiele rechter open. Daarmee is doeltreffende rechtsbescherming gewaarborgd. Zie voor de details AbRvS 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4431.