De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5167) dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de belangen van Gedeputeerde Staten (“GS”) en een drinkwaterbedrijf rechtstreeks betrokken zijn bij de verleende vergunning voor het opsporen van aardwarmte. De staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei (KGG) moet daarom alsnog inhoudelijk beslissen op hun bezwaren tegen deze vergunning.

De Afdeling overweegt dat alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit als belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) kan worden aangemerkt. Voor bestuursorganen geldt dat zij uitsluitend beroep kunnen instellen tegen een besluit, als een aan hem toevertrouwd belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit van een ander bestuursorgaan (art. 1:2, tweede lid, Awb jo. art. 8:1, eerste lid, Awb). Uitzonderingen daargelaten is dat het geval, indien een wettelijk voorschrift aan dit bestuursorgaan een bevoegdheid tot behartiging van dit belang toekent. Voor rechtspersonen volgt uit art. 1:2, derde lid, Awb dat als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. De Afdeling stelt vast dat onder meer de bescherming van het grondwater een mede aan GS toevertrouwd belang is (art. 6.4 Waterwet); het belang van het drinkwaterbedrijf is de veilige en tijdige levering van drinkwater. De Afdeling constateert ook dat ten tijde van het bestreden besluit de Mijnbouwwet voorzag in eenzelfde vergunningenstelsel voor aardwarmte als voor koolwaterstoffen en dat een opsporingsvergunning voor een van beiden geen feitelijke activiteiten rechtstreeks toestaat, omdat dit nadere besluitvorming vereist. Volgens de Afdeling staat het vereiste van nadere besluitvorming niet noodzakelijkerwijs in de weg aan het aannemen van belanghebbendheid (vgl. de Afdelingsuitspraak van 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4305). Als regel geldt dat bezwaar en beroep tegen een eerder besluit uit de besluitvormingsketen mogelijk moet zijn wanneer zo’n besluit naar zijn strekking leidt tot de mogelijkheid dat iemand door het nadere besluit in zijn belang zal worden geraakt. Hoewel de opsporingsvergunning alleen directe toestemming bevat voor activiteiten gericht op het vergaren van kennis over de aanwezigheid van aardwarmte, is die kennis volgens de Afdeling gericht op de verkenning van de mogelijkheden voor opsporing en winning van aardwarmte in het betrokken gebied. Omdat de winning van aardwarmte feitelijke gevolgen kan hebben die de belangen van GS en het drinkwaterbedrijf kunnen raken, zijn hun belangen rechtstreeks betrokken bij de opsporingsvergunning. De Afdeling concludeert dat de staatssecretaris de tegen de opsporingsvergunning gerichte bezwaren daarom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.