Het bestemmingsplan ‘Ontplofbare Oorlogsresten’ van de gemeenteraad van Altena blijft in stand. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de bezwaren van een inwoner van de gemeente ongegrond verklaard in een uitspraak van vandaag (10 juni 2026). Daarmee is het bestemmingsplan definitief geworden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in het Land van Heusden en Altena veel gevochten. Een deel van de munitie bleef in de bodem achter. Met het bestemmingsplan wil de gemeente de veiligheid vergroten en risico’s met ontplofbare oorlogsresten verminderen. Voordat dit plan werd vastgesteld, heeft de gemeente een onderzoek gedaan. Op een risicokaart zijn gebieden aangegeven waar mogelijk oorlogsresten in de grond zouden kunnen zitten. In het plan staan regels voor graafwerkzaamheden op en rond deze risicogebieden. Voor graafwerkzaamheden dieper dan 30 centimeter is een vergunning nodig. Gaat het om een risicogebied, dan wordt er een extra onderzoek naar explosieven uitgevoerd.
De bezwaarmaker is eigenaar van een perceel in het gebied. Hij vindt het besluit van de gemeente overdreven, vanuit veiligheidsperspectief onnodig en te belastend voor bouwplannen vanwege bureaucratie en hogere kosten. Maar naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de gemeenteraad met het bestemmingsplan een evenwichtige afweging gemaakt en dit goed gemotiveerd. In de gemeente Altena worden nog regelmatig ontplofbare oorlogsresten aangetroffen. De gemeenteraad heeft het risico op ontplofbare oorlogsresten zo groot mogen vinden dat hij zich op het standpunt mocht stellen dat inwoners van de gemeente moeten worden beschermd tegen dit risico.
Verder heeft de gemeenteraad een proportionele afweging gemaakt van de risico’s door niet het hele grondgebied van de gemeente aan te wijzen, maar alleen de gebieden die na het historisch bronnenonderzoek als verdacht zijn aangemerkt, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. De bezwaarmaker wijst er terecht op dat het bestemmingsplan extra regels, moeite en kosten met zich brengt, maar de gemeenteraad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak op het standpunt mogen stellen dat deze kosten niet buitensporig zijn, vergeleken met kosten die over het algemeen zijn gemoeid met ruimtelijke ingrepen.