In een uitspraak van 19 augustus 2026 oordeelt de Afdeling over een omgevingsvergunning voor het organiseren van hippische wedstrijden door een manege die deels op het grondgebied van de gemeente Breda en deels op het grondgebied van de gemeente Zundert was gelegen. Een milieuvereniging en andere appellanten kwamen in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank dat de omgevingsvergunning terecht was aangevraagd bij en verleend door het college van B&W van Breda. De Afdeling laat dat oordeel echter in stand.

Op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo was het college van B&W van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, bevoegd om op de aanvraag voor een omgevingsvergunning te beslissen (deze regel geldt ook weer onder de Omgevingswet, zie artikel 5.14 Ow). Appellanten voerden aan dat het zwaartepunt van het project in Breda lag, omdat de oppervlakte van de gebruikte gronden in Breda veel kleiner was dan in Zundert (31.789 m2 versus 44.215 m2). Daarnaast was van belang dat er drie typen wedstrijden zouden worden georganiseerd, waarvan de wedstrijden van type 1 en type 2 weliswaar het meeste zouden plaatsvinden, maar de wedstrijden van type 3 op een veel grotere oppervlakte en vooral in Zundert werden georganiseerd. Tot slot was volgens appellanten de meest ingrijpende afwijking van het bestemmingsplan de afwijking in Zundert, waar een natuurbestemming op de gronden rustte (in plaats van een agrarische bestemming zoals op de Bredase gronden).
De Afdeling is het daar niet mee eens. Om te bepalen in welke gemeente het betrokken project hoofdzakelijk plaatsvindt, zijn niet alleen de oppervlakte, maar ook de intensiteit van het aantal deelnemers en de frequentie van de wedstrijden en het bijbehorend parkeren van belang. Gezien het feit dat de wedstrijden van type 1 en type 2 zes keer zo vaak georganiseerd mochten worden en aanzienlijk meer deelnemers zouden hebben (een factor 12 โ 20), en die wedstrijden hoofdzakelijk op Bredase gronden zouden plaatsvinden, heeft de rechtbank volgens de Afdeling terecht geoordeeld dat het betrokken project grotendeels op Bredase gronden plaatsvindt. Het argument over de natuurbestemming in Zundert volgt de Afdeling ook niet, omdat uit de aanvraag blijkt dat de wedstrijden niet door het beboste gedeelte van het perceel met de natuurbestemming zouden gaan. Het college van Breda heeft dus terecht op de aanvraag beslist.
Uit deze uitspraak blijkt hoe genuanceerd en op detailniveau de Afdeling kijkt naar deze bevoegdheidsvraagstukken: alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning betrekking heeft op gronden in meerdere gemeenten, doet het bestuursorgaan er dus goed aan een inventarisatie te maken van alle belangrijke aspecten van een project om te bepalen waar het zwaartepunt van het project ligt. Indien het zwaartepunt in de andere gemeente ligt, is het college van B&W van die gemeente bevoegd en geldt de doorzendplicht van artikel 2:3 Awb.