Een projectontwikkelaar wil een extra bouwlaag met twee nieuwe appartementen realiseren op een bestaand woongebouw in Den Haag. Het bouwplan is echter in strijd met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het bouwplan voldoet niet aan de definitie van een dakopbouw, omdat het bouwplan niet ziet op het uitbreiden van de onderliggende woning, maar op het realiseren van een extra bouwlaag met daarin twee nieuwe appartementen. Verder wordt de toegestane maximale bouwhoogte van 12 meter overschreden, omdat het bouwplan voorziet in een bouwhoogte van 12,9 meter. Ook voldoet de extra bouwlaag niet aan de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte van het dak. Tot slot voldoet het bouwplan niet aan de eisen uit de Parapluherziening (fiets)parkeren. Het college weigert de vergunning te verlenen en de zaak belandt bij de Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:20338 d.d. 18 mei 2026).

De kern van de zaak
De projectontwikkelaar stelde zich op het standpunt dat het omgevingsplan expliciet de mogelijkheid biedt om af te wijken van de maximale maatvoeringen. Gezien de woningcrisis en het maatschappelijke belang van extra woonruimte, zou de gemeente hieraan moeten meewerken. De rechtbank bevestigt een klassieke juridische stelregel in het ruimtelijk bestuursrecht: een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is een bevoegdheid, géén plicht.
Juridische analyse
Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet af te wijken van het omgevingsplan. Ook bij een binnenplanse afwijking voor een omgevingsplanactiviteit moet het bevoegd gezag beoordelen of het resultaat in overeenstemming is met een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 8.0a Bkl). De rechtbank oordeelde dat de gemeente het bouwplan in redelijkheid mocht afwijzen omdat de combinatie van een groter dakoppervlak (100%) én een hogere bouwhoogte leidde tot een te massaal volume dat stedenbouwkundig uit de toon viel. Het toevoegen van een extra bouwlaag op het perceel leidt tot een verspringing in de bouwhoogte op de kop van het bouwblok, waardoor de samenhang in bouwhoogten met de omliggende bouwblokken wordt aangetast. Daarbij wordt met het bouwplan het gehele dakvlak bebouwd, terwijl op grond van de planregels een maximaal bebouwingspercentage van 70% geldt. De combinatie van de aangevraagde bouwhoogte en het aangevraagde bebouwde oppervlak resulteert in een te groot bouwvolume, hetgeen stedenbouwkundig onwenselijk wordt geacht. De ontwikkelaar wees nog op een ander, wél vergund plan met exact dezelfde bouwhoogte. De rechtbank ging hier niet in mee: dat andere plan had een kleiner bebouwd oppervlak en was dus minder massaal. Iedere situatie vraagt om maatwerk.