De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 16 september 2026 een interessante uitspraak gedaan over een tijdelijke opblaasbare hockeyhal in Den Haag. De kern? Tekeningen zijn geen formaliteit, maar als die juist bepalend zijn voor de geluidbelasting in de omgeving, brengt dat ruimtelijke gevolgen met zich en is een wijziging op dat punt niet van ondergeschikte aard zodat de indiener van een aanvraag niet in de gelegenheid diende te worden gesteld om zijn aanvraag te wijzigen maar een nieuwe aanvraag noodzakelijk was.

Het college had een omgevingsvergunning verleend voor een blaashal op het terrein van Hockey Club Ypenburg. Een omwonende verzette zich daartegen, vooral vanwege het geluid van de ventilatie-unit die nodig is om de hal overeind te houden.
Het oordeel gaat over twee belangrijke punten:
(1) Geluid moet vooraf voldoende zeker zijn beoordeeld. Het college had aangesloten bij de geluidnormen uit het (vmlg) Activiteitenbesluit. De STAB wees op onzekerheden in het onderzoek: het bronvermogen van de ventilatie-unit kon zijn onderschat. Het college had daarvoor een voorschrift opgenomen dat de unit moest worden omkist en dat vóór ingebruikname moest worden aangetoond dat geen sprake zou zijn van “een overschrijding van 3 dB”. Maar dat was volgens de Afdeling onvoldoende. Het college had al bij vergunningverlening inzicht moeten hebben in de te verwachten geluidbelasting en de effectiviteit van de maatregel. En bovendien was niet duidelijk t.o.v. wat geen overschrijding van 3dB mocht zijn.
(2) De ventilatie-unit stond op de vergunningstekening op een andere plek dan de feitelijk beoogde locatie. Dat is niet zomaar een detail. Juist de locatie van een geluidbron bepaalt de ruimtelijke gevolgen voor de omgeving. Volgens de Afdeling was dit geen wijziging van ondergeschikte aard en was een nieuwe aanvraag noodzakelijk om dit gebrek te repareren. Andere omwonenden hadden mogelijk anders gereageerd als zij van de juiste locatie waren uitgegaan.
De uitkomst is stevig: het hoger beroep is gegrond, de vergunning wordt herroepen en de aanvraag wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak alsnog afgewezen. Hiermee staat dus vast dat voor realisatie op de feitelijk beoogde locatie inderdaad alleen maar een nieuwe aanvraag aan de orde is.